وَٱلۡفَجۡرِ

Ik zweer bij het aanbreken van den dag


وَلَيَالٍ عَشۡرٖ

En de tien nachten;


وَٱلشَّفۡعِ وَٱلۡوَتۡرِ

Bij datgene wat dubbel, en dat wat enkel is,


وَٱلَّيۡلِ إِذَا يَسۡرِ

Bij den nacht als die aanbreekt.


هَلۡ فِي ذَٰلِكَ قَسَمٞ لِّذِي حِجۡرٍ

Is dit niet een begrijpelijk samengestelde eed?


أَلَمۡ تَرَ كَيۡفَ فَعَلَ رَبُّكَ بِعَادٍ

Hebt gij niet overwogen, hoe uw Heer met Ad heeft gehandeld.


إِرَمَ ذَاتِ ٱلۡعِمَادِ

Het volk van Irem, versierd met schoone gebouwen,


ٱلَّتِي لَمۡ يُخۡلَقۡ مِثۡلُهَا فِي ٱلۡبِلَٰدِ

Waarvan de wedergade nog niet in het land werd opgericht?


وَثَمُودَ ٱلَّذِينَ جَابُواْ ٱلصَّخۡرَ بِٱلۡوَادِ

En met Thamoed, die in de rotsen der vallei huizen uithieuw.


وَفِرۡعَوۡنَ ذِي ٱلۡأَوۡتَادِ

En met Pharao, den uitvinder van de straf der staken.



الصفحة التالية
Icon