Vertaling van Soera الحجر in het فلمكني (هولندية) uit Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
Verse 1
E. L. R. Dit zijn de teekens van het boek en van den duidelijken Koran.
Verse 2
De tijd zal komen, waarop de ongeloovigen zullen wenschen, dat zij Moslems mochten zijn geweest.
Verse 3
Sta hun toe te eten en te genieten in deze wereld, en laat hun hoop voeden; doch hierna zullen zij hunne dwaasheid kennen.
Verse 4
Wij hebben geene stad verwoest, zonder dat een vastgestelde tijd van berouw voor haar bepaald werd.
Verse 5
Geen volk zal gestraft worden voordat zijn tijd zal zijn gekomen, en deze zal niet worden verschoven.
Verse 6
De bewoners van Mekka zeggen tot Mahomet: O gij! wien de vermaning werd nedergezonden, gij zijt zekerlijk door den duivel bezeten.
Verse 7
Zoudt gij niet met een gevolg van engelen tot ons zijn gekomen, indien gij de waarheid hadt gesproken?
Verse 8
Antwoord: Wij zenden geene engelen neder, dan bij eene voegzame gelegenheid. Dan zullen de ongeloovigen niet meer worden uitgesteld.
Verse 9
Waarlijk, wij hebben den Koran nedergezonden, en wij zullen dien zekerlijk voor vervalsching behoeden.
Verse 10
Wij hebben vroeger, vóór u, gezanten tot de oude secten gezonden.
Verse 11
En er kwam geen gezant tot hen, dien zij niet tot het voorwerp hunner spotternijen maakten.
Verse 12
ﮰﮱﯓﯔﯕ
ﯖ
Evenzoo zullen wij de harten der zondige bewoners van Mekka er toe brengen, hunnen profeet te bespotten.
Verse 13
Zij zullen niet in hem gelooven niettegenstaande de straf der volkeren reeds vroeger werd uitgevoerd.
Verse 14
Indien wij hun de poorten der hemelen zouden ontsluiten, en zij reeds gereed zouden zijn daar binnen te gaan.
Verse 15
Zouden zij veeleer uitroepen: Onze oogen zijn slechts verblind door dronkenschap, of wij bevinden ons onder den indruk eener zinsbeguicheling.
Verse 16
Wij hebben de twaalf teekens in den hemel geplaatst en die in verschillende vormen voorgesteld voor hen, die acht geven.
Verse 17
ﭙﭚﭛﭜﭝ
ﭞ
Wij verdedigen deze tegen de aanslagen van iederen duivel welke met steenworpen werd teruggedreven.
Verse 18
Behalve hij, die aansluipt om te luisteren, en op wien dan eene zichtbare vlam wordt afgeschoten.
Verse 19
Wij hebben ook de aarde uitgespreid en vaste bergen daarop geplaatst, en wij hebben alle planten in eene bewonderingswaardige orde daaruit doen spruiten.
Verse 20
En wij hebben daarop levensbehoeften voor u geplaatst en voor de wezens, welke gij niet onderhoudt.
Verse 21
Er is geene zaak, waarvan de voorraadschuren niet in onze handen zijn, en wij deelen die slechts in eene bepaalde mate uit.
Verse 22
Wij zenden ook de winden, die de bezwangerde wolken voortstuwen en wij zenden water van den hemel waarvan wij u geven te drinken, en hetwelk gij niet bewaart.
Verse 23
ﮕﮖﮗﮘﮙﮚ
ﮛ
Waarlijk, wij geven leven en doen sterven, en wij zijn de erfgenamen van alle dingen.
Verse 24
Wij kennen hen die vooruit gaan, en wij kennen hen die achterblijven.
Verse 25
En uw Heer zal hen op den laatsten dag verzamelen; want hij is alwetend en wijs.
Verse 26
Wij schiepen den mensch van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gebracht.
Verse 27
Vóór hem hadden wij reeds de geniussen uit een fijn vuur gemaakt.
Verse 28
En gedenk, toen de Heer tot de engelen zeide: Waarlijk, ik heb den mensch geschapen van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gebracht.
Verse 29
Als ik hem dus volkomen gevormd en mijn geest in hem geblazen zal hebben zult gij dan voor hem nedervallen en hem aanbidden?
Verse 30
ﯶﯷﯸﯹ
ﯺ
En al de engelen baden Adam gezamenlijk aan.
Verse 31
Behalve Eblis, die weigerde met hen te zijn, welke hem aanbaden.
Verse 32
En God zeide tot hem: Wat verhindert u met degenen te zijn, die Adam aanbidden?
Verse 33
Hij antwoordde: Ik zal den mensch niet aanbidden; dien gij gevormd hebt van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gekneed.
Verse 34
ﭦﭧﭨﭩﭪ
ﭫ
God zeide: Ga dus heen; want gij zult met steenen verdreven worden.
Verse 35
ﭬﭭﭮﭯﭰﭱ
ﭲ
En een vloek zal op u rusten tot op den dag des oordeels.
Verse 36
ﭳﭴﭵﭶﭷﭸ
ﭹ
De duivel zeide: O Heer! geef mij uitstel tot den dag der opstanding.
Verse 37
ﭺﭻﭼﭽ
ﭾ
God antwoordde: Waarlijk, gij zult tot hen behooren, die uitstel hebben verkregen.
Verse 38
ﭿﮀﮁﮂ
ﮃ
Tot den dag van den bepaalden tijd.
Verse 39
De duivel (Eblis) antwoordde: Omdat gij mij hebt nedergeworpen, zal ik het kwade behagelijk voor den mensch maken, en hen allen verleiden.
Verse 40
ﮏﮐﮑﮒ
ﮓ
Uwe oprechte dienaren zullen alleen gespaard worden.
Verse 41
ﮔﮕﮖﮗﮘ
ﮙ
God zeide: Dit is de rechte weg.
Verse 42
Wat mijne dienaren betreft, gij zult geene macht over hen hebben; maar alleen over hen, die verleid zullen worden en die u zullen volgen.
Verse 43
ﮦﮧﮨﮩ
ﮪ
De hel is zekerlijk voor hen allen bestemd.
Verse 44
Zij heeft zeven ingangen; voor iederen ingang zal een bijzonder aantal hunner worden aangewezen.
Verse 45
ﯕﯖﯗﯘﯙ
ﯚ
Maar zij, die God vreezen, zullen in tuinen wonen, te midden van fonteinen.
Verse 46
ﯛﯜﯝ
ﯞ
De engelen zullen tot hen zeggen: Treedt hier binnen in vrede en zekerheid.
Verse 47
Wij zullen alle valschheid uit hunne harten wegnemen. Zij zullen als broeders zijn, en tegen over elkander zitten op rustbanken.
Verse 48
Geene vermoeienis zal hen kwellen, en nimmer zullen zij uit die woonplaats worden geworpen.
Verse 49
Verklaar mijne dienaren, dat ik de genadige, de barmhartige God ben.
Verse 50
ﯻﯼﯽﯾﯿ
ﰀ
En dat mijne straf eene gestrenge straf is.
Verse 51
ﰁﰂﰃﰄ
ﰅ
En verhaal hun de geschiedenis van de gasten van Abraham.
Verse 52
Toen zij bij hem binnentraden en hem groetten, zeide hij: Gij hebt ons bevreesd gemaakt.
Verse 53
En zij antwoordden: Vrees niets: wij brengen u de belofte van een wijzen zoon.
Verse 54
Hij zeide: Brengt gij mij de belofte van een zoon, nu ik oud geworden ben? Wat verhaalt gij mij derhalve?
Verse 55
Zij zeiden: Wij hebben u de waarheid verhaald; wanhoop dus niet.
Verse 56
Hij antwoordde: En wie wanhoopt aan Gods genade, behalve zij die dwalen?
Verse 57
ﭽﭾﭿﮀﮁ
ﮂ
En hij zeide: Wat is dus uwe zending, o gezanten van God?
Verse 58
ﮃﮄﮅﮆﮇﮈ
ﮉ
Zij antwoordden: Waarlijk, wij werden gezonden om een zondig volk te verdelgen.
Verse 59
ﮊﮋﮌﮍﮎﮏ
ﮐ
Maar wat de leden van Lots gezin betreft, zullen wij allen redden.
Verse 60
ﮑﮒﮓﮔﮕﮖ
ﮗ
Uitgenomen zijne vrouw. Wij hebben besloten, dat zij zal achterblijven om met de ongeloovigen te worden verwoest.
Verse 61
ﮘﮙﮚﮛﮜ
ﮝ
En toen de boodschappers tot het gezin van Lot kwamen,
Verse 62
ﮞﮟﮠﮡ
ﮢ
Zeide hij tot hen: Waarlijk, gij zijt een volk, dat mij onbekend is.
Verse 63
Zij antwoordden: Maar wij zijn tot u gekomen om de straf uit te voeren, waaromtrent uwe medeburgers in twijfel verkeeren.
Verse 64
ﮫﮬﮭﮮ
ﮯ
Wij verhalen u eene zekere waarheid, en wij zijn gezanten der waarheid.
Verse 65
Breng dus uw gezin gedurende den nacht weg, en volg gij achter hen; en laat zich niemand uwer omkeeren, maar ga waarheen men u beveelt.
Verse 66
En wij gaven hem dit bevel, daar dit volk, tot op den laatsten man, vóór den volgenden dag moest zijn verdelgd.
Verse 67
ﯪﯫﯬﯭ
ﯮ
En de bewoners der stad kwamen tot Lot, zich verblijdende in het nieuws der aankomst van vreemdelingen.
Verse 68
ﯯﯰﯱﯲﯳﯴ
ﯵ
En hij zeide tot hen: Waarlijk, dit zijn mijne gasten; doe mij dus niet in ongenade vervallen, door hen te misbruiken.
Verse 69
ﯶﯷﯸﯹ
ﯺ
Maar vreest God en bedekt mij niet met schande.
Verse 70
ﯻﯼﯽﯾﯿ
ﰀ
Zij antwoordden: Hebben wij u niet verboden een mensch te ondersteunen?
Verse 71
ﭑﭒﭓﭔﭕﭖ
ﭗ
Lot hernam: Dit zijn mijne dochters, maak dus eerder van haar gebruik, indien gij vast besloten hebt nopens hetgeen gij wilt doen.
Verse 72
ﭘﭙﭚﭛﭜ
ﭝ
Zoo waar gij leeft, zij dwaalden in beschonkenheid.
Verse 73
ﭞﭟﭠ
ﭡ
Daarom overviel hun een vreeselijke storm van den hemel, bij het opgaan der zon.
Verse 74
En wij keerden de stad ten onderste boven en lieten er een regen op nedervallen van steenen uit gebakken klei.
Verse 75
ﭫﭬﭭﭮﭯ
ﭰ
Waarlijk, daarin zijn teekens voor de menschen, die deze aandachtig nagaan.
Verse 76
ﭱﭲﭳ
ﭴ
En deze steden werden gestraft, tot het banen van een rechten weg voor den mensch, om dien te bewandelen.
Verse 77
ﭵﭶﭷﭸﭹ
ﭺ
Waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.
Verse 78
ﭻﭼﭽﭾﭿ
ﮀ
De bewoners van het bosch van Midian waren mede goddeloos.
Verse 79
ﮁﮂﮃﮄﮅ
ﮆ
Daarom namen wij wraak op hen. En zij werden beide verdelgd, om als een duidelijk voorbeeld te dienen voor de menschen, ten einde daarnaar hunne daden te richten.
Verse 80
ﮇﮈﮉﮊﮋ
ﮌ
En de bewoners van Al Hedjr beschuldigden Gods gezanten eveneens van bedrog.
Verse 81
ﮍﮎﮏﮐﮑ
ﮒ
En wij toonden hun onze teekens; maar zij wendden zich ver daarvan af.
Verse 82
ﮓﮔﮕﮖﮗﮘ
ﮙ
Zij hieuwen huizen in de bergen uit om zich te beveiligen.
Verse 83
ﮚﮛﮜ
ﮝ
Maar een vreeselijk onweder van den hemel overviel hen des morgens.
Verse 84
ﮞﮟﮠﮡﮢﮣ
ﮤ
Wat zij gedaan hadden, was volstrekt niet voordeelig voor hen.
Verse 85
Wij hebben de hemelen en de aarde, en wat zich daartusschen bevindt, niet dan in onrechtvaardigheid en niet te vergeefs geschapen, en het uur des oordeels zal zekerlijk komen. Vergeef dus uw volk, o Mahomet! met eene barmhartige vergiffenis.
Verse 86
ﯗﯘﯙﯚﯛ
ﯜ
Waarlijk, uw Heer is de schepper van u en van hen, en weet wat het nuttigste is.
Verse 87
Wij hebben u reeds zeven verzen gebracht, die dikwijls moesten worden herhaald, en den heerlijken Koran.
Verse 88
Werp uwe blikken niet op de goede dingen, welke wij aan onderscheidenen der ongeloovigen hebben geschonken, en begeer die niet. Wees nimmer bedroefd over hen. Gedraag u zachtmoedig omtrent de ware geloovigen.
Verse 89
ﯵﯶﯷﯸﯹ
ﯺ
Zeg hun: Waarlijk, ik ben een openbaar prediker.
Verse 90
ﯻﯼﯽﯾ
ﯿ
Indien zij niet gelooven, zullen wij hun eene gelijke straf opleggen, als aan de verdeelers.
Verse 91
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
Die den Koran in verschillende deelen onderscheiden.
Verse 92
ﭖﭗﭘ
ﭙ
Want door uw Heer, o Mahomet! zullen wij hen ondervragen.
Verse 93
ﭚﭛﭜ
ﭝ
Nopens al hunne daden.
Verse 94
ﭞﭟﭠﭡﭢﭣ
ﭤ
Openbaar dus wat u werd bevolen en, wend u af van de afgodendienaars.
Verse 95
ﭥﭦﭧ
ﭨ
Wij zullen u zekerlijk bijstaan tegen de spotters.
Verse 96
Die een anderen God met God vereenigen. Zij zullen zekerlijk hunne dwaasheid kennen.
Verse 97
En wij weten, dat gij diep gegriefd zijt door het verhaal van hetgeen zij zeggen.
Verse 98
ﭻﭼﭽﭾﭿﮀ
ﮁ
Maar verheerlijk den lof van uwen Heer en aanbid hem.
Verse 99
ﮂﮃﮄﮅﮆ
ﮇ
En dien uwen Heer, tot de dood u overvalt.
تقدم القراءة