Vertaling van Soera الشعراء in het فلمكني (هولندية) uit Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
Verse 1
ﭑ
ﭒ
T. S. M.
Verse 2
ﭓﭔﭕﭖ
ﭗ
Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.
Verse 3
ﭘﭙﭚﭛﭜﭝ
ﭞ
Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van Mekka niet geloovig willen worden.
Verse 4
Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.
Verse 5
Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.
Verse 6
En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.
Verse 7
Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?
Verse 8
Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.
Verse 9
ﮖﮗﮘﮙﮚ
ﮛ
Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.
Verse 10
Herdenk, toen uw Heer Mozes riep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:
Verse 11
ﮥﮦﮧﮨﮩ
ﮪ
Het volk van Pharao. Zullen zij mij niet vreezen?
Verse 12
ﮫﮬﮭﮮﮯﮰ
ﮱ
Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.
Verse 13
En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken; wijs Aäron dus aan om mijn helper te wezen.
Verse 14
ﯜﯝﯞﯟﯠﯡ
ﯢ
Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.
Verse 15
God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.
Verse 16
Gaat dus tot Pharao en zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant van den Heer van alle schepselen.
Verse 17
ﯵﯶﯷﯸﯹ
ﯺ
Zend de kinderen Israëls met ons weg.
Verse 18
En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond?
Verse 19
Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.
Verse 20
ﭑﭒﭓﭔﭕﭖ
ﭗ
Mozes hernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden.
Verse 21
Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.
Verse 22
En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderen Israëls tot slaven maaktet?
Verse 23
ﭭﭮﭯﭰﭱ
ﭲ
Pharao zeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?
Verse 24
Mozes antwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.
Verse 25
ﭾﭿﮀﮁﮂ
ﮃ
Pharao zeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?
Verse 26
ﮄﮅﮆﮇﮈ
ﮉ
Mozes zeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.
Verse 27
Pharao zeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten.
Verse 28
Mozes zeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.
Verse 29
Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn.
Verse 30
ﮦﮧﮨﮩﮪ
ﮫ
Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?
Verse 31
Pharao hernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.
Verse 32
ﯕﯖﯗﯘﯙﯚ
ﯛ
En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.
Verse 33
ﯜﯝﯞﯟﯠﯡ
ﯢ
En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,
Verse 34
Pharao zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.
Verse 35
Hij tracht u door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?
Verse 36
Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.
Verse 37
ﯼﯽﯾﯿ
ﰀ
En tot u brengen alle behendige toovenaren.
Verse 38
ﰁﰂﰃﰄﰅ
ﰆ
Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.
Verse 39
ﰇﰈﰉﰊﰋ
ﰌ
En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?
Verse 40
Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.
Verse 41
Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?
Verse 42
ﭦﭧﭨﭩﭪﭫ
ﭬ
Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.
Verse 43
Mozes zeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.
Verse 44
Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn.
Verse 45
En Mozes wierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.
Verse 46
ﮈﮉﮊ
ﮋ
Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder
Verse 47
ﮌﮍﮎﮏ
ﮐ
En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.
Verse 48
ﮑﮒﮓ
ﮔ
De Heer van Mozes en Aäron.
Verse 49
Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.
Verse 50
Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.
Verse 51
Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben.
Verse 52
En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.
Verse 53
ﯭﯮﯯﯰﯱ
ﯲ
En Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen
Verse 54
ﯳﯴﯵﯶ
ﯷ
Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.
Verse 55
ﯸﯹﯺ
ﯻ
En zij zijn verwoed op ons.
Verse 56
ﯼﯽﯾ
ﯿ
Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.
Verse 57
ﰀﰁﰂﰃ
ﰄ
Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,
Verse 58
ﰅﰆﰇ
ﰈ
Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.
Verse 59
ﰉﰊﰋﰌﰍ
ﰎ
Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven.
Verse 60
ﰏﰐ
ﰑ
En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon.
Verse 61
En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.
Verse 62
Mozes antwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.
Verse 63
En wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.
Verse 64
ﭱﭲﭳ
ﭴ
En wij lieten de anderen naderen.
Verse 65
ﭵﭶﭷﭸﭹ
ﭺ
En wij bevrijdden Mozes en allen die met hem waren.
Verse 66
ﭻﭼﭽ
ﭾ
Daarna verdronken wij de anderen.
Verse 67
Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.
Verse 68
ﮉﮊﮋﮌﮍ
ﮎ
Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.
Verse 69
ﮏﮐﮑﮒ
ﮓ
En herinner hun de geschiedenis van Abraham.
Verse 70
ﮔﮕﮖﮗﮘﮙ
ﮚ
Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?
Verse 71
ﮛﮜﮝﮞﮟﮠ
ﮡ
Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.
Verse 72
ﮢﮣﮤﮥﮦ
ﮧ
Abraham zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?
Verse 73
ﮨﮩﮪﮫ
ﮬ
Of bevoordeelen, noch deren zij u?
Verse 74
ﮭﮮﮯﮰﮱﯓ
ﯔ
Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.
Verse 75
ﯕﯖﯗﯘﯙ
ﯚ
Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.
Verse 76
ﯛﯜﯝ
ﯞ
En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.
Verse 77
ﯟﯠﯡﯢﯣﯤ
ﯥ
Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.
Verse 78
ﯦﯧﯨﯩ
ﯪ
Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.
Verse 79
ﯫﯬﯭﯮ
ﯯ
En die mij geeft te eten en te drinken;
Verse 80
ﯰﯱﯲﯳ
ﯴ
En die mij geneest als ik ziek ben;
Verse 81
ﯵﯶﯷﯸ
ﯹ
En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.
Verse 82
En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.
Verse 83
ﰃﰄﰅﰆﰇﰈ
ﰉ
O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.
Verse 84
ﭑﭒﭓﭔﭕﭖ
ﭗ
En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke;
Verse 85
ﭘﭙﭚﭛﭜ
ﭝ
En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;
Verse 86
ﭞﭟﭠﭡﭢﭣ
ﭤ
En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord.
Verse 87
ﭥﭦﭧﭨ
ﭩ
En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;
Verse 88
ﭪﭫﭬﭭﭮﭯ
ﭰ
Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.
Verse 89
ﭱﭲﭳﭴﭵﭶ
ﭷ
Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;
Verse 90
ﭸﭹﭺ
ﭻ
Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.
Verse 91
ﭼﭽﭾ
ﭿ
En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;
Verse 92
ﮀﮁﮂﮃﮄﮅ
ﮆ
En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,
Verse 93
Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?
Verse 94
ﮏﮐﮑﮒ
ﮓ
En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,
Verse 95
ﮔﮕﮖ
ﮗ
En het geheele heir van Eblis.
Verse 96
ﮘﮙﮚﮛ
ﮜ
De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:
Verse 97
ﮝﮞﮟﮠﮡﮢ
ﮣ
Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.
Verse 98
ﮤﮥﮦﮧ
ﮨ
Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.
Verse 99
ﮩﮪﮫﮬ
ﮭ
De zondaren alleen hebben ons verleid.
Verse 100
ﮮﮯﮰﮱ
ﯓ
Thans hebben wij geene tusschentreders.
Verse 101
ﯔﯕﯖ
ﯗ
Noch eenigen vriend die voor ons zorgt. i
Verse 102
Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.
Verse 103
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.
Verse 104
ﯪﯫﯬﯭﯮ
ﯯ
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
Verse 105
ﯰﯱﯲﯳ
ﯴ
Het volk van Noach beschuldigde Gods zendingen van bedrog.
Verse 106
Toen hun broeder Noach tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
Verse 107
ﯽﯾﯿﰀ
ﰁ
Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.
Verse 108
ﰂﰃﰄ
ﰅ
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
Verse 109
Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.
Verse 110
ﰓﰔﰕ
ﰖ
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
Verse 111
ﰗﰘﰙﰚﰛﰜ
ﰝ
Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?
Verse 112
ﭑﭒﭓﭔﭕﭖ
ﭗ
Noach zeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden.
Verse 113
Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!
Verse 114
ﭡﭢﭣﭤ
ﭥ
Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven.
Verse 115
ﭦﭧﭨﭩﭪ
ﭫ
Ik ben slechts een openbaar prediker.
Verse 116
Zij hernamen: Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.
Verse 117
ﭵﭶﭷﭸﭹ
ﭺ
Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.
Verse 118
Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,
Verse 119
ﮅﮆﮇﮈﮉﮊ
ﮋ
Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.
Verse 120
ﮌﮍﮎﮏ
ﮐ
En daarom verdronken wij de overigen.
Verse 121
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
Verse 122
ﮛﮜﮝﮞﮟ
ﮠ
Uw Heer is de machtige, de barmhartige,
Verse 123
ﮡﮢﮣ
ﮤ
De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper van logen.
Verse 124
Toen hun broeder Hud tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
Verse 125
ﮭﮮﮯﮰ
ﮱ
Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.
Verse 126
ﯓﯔﯕ
ﯖ
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
Verse 127
[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.
Verse 128
ﯤﯥﯦﯧﯨ
ﯩ
Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken?
Verse 129
ﯪﯫﯬﯭ
ﯮ
En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig te bezitten?
Verse 130
ﯯﯰﯱﯲ
ﯳ
En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit.
Verse 131
ﯴﯵﯶ
ﯷ
Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij].
Verse 132
ﯸﯹﯺﯻﯼ
ﯽ
En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.
Verse 133
ﯾﯿﰀ
ﰁ
Hij heeft u vee geschonken en kinderen;
Verse 134
ﰂﰃ
ﰄ
En tuinen en fonteinen.
Verse 135
ﰅﰆﰇﰈﰉﰊ
ﰋ
Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.
Verse 136
Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.
Verse 137
ﭑﭒﭓﭔﭕ
ﭖ
Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.
Verse 138
ﭗﭘﭙ
ﭚ
Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.
Verse 139
En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
Verse 140
ﭨﭩﭪﭫﭬ
ﭭ
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
Verse 141
ﭮﭯﭰ
ﭱ
De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.
Verse 142
Toen hun broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
Verse 143
ﭺﭻﭼﭽ
ﭾ
Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.
Verse 144
ﭿﮀﮁ
ﮂ
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
Verse 145
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.
Verse 146
ﮐﮑﮒﮓﮔ
ﮕ
Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,
Verse 147
ﮖﮗﮘ
ﮙ
Waaronder tuinen en fonteinen.
Verse 148
ﮚﮛﮜﮝ
ﮞ
En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?
Verse 149
ﮟﮠﮡﮢﮣ
ﮤ
En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt?
Verse 150
ﮥﮦﮧ
ﮨ
Vreest God en gehoorzaamt mij.
Verse 151
ﮩﮪﮫﮬ
ﮭ
En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.
Verse 152
ﮮﮯﮰﮱﯓﯔ
ﯕ
Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.
Verse 153
ﯖﯗﯘﯙﯚ
ﯛ
Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.
Verse 154
Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.
Verse 155
Saleh zeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag.
Verse 156
En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.
Verse 157
ﯺﯻﯼ
ﯽ
Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.
Verse 158
Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.
Verse 159
ﰋﰌﰍﰎﰏ
ﰐ
Uw Heer is de machtige, de genadige.
Verse 160
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
Het volk van Lot beschuldigde Gods boodschappers eveneens van bedrog.
Verse 161
Toen hun broeder Lot tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
Verse 162
ﭞﭟﭠﭡ
ﭢ
Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.
Verse 163
ﭣﭤﭥ
ﭦ
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
Verse 164
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.
Verse 165
ﭴﭵﭶﭷ
ﭸ
Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.
Verse 166
En verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.
Verse 167
Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, o Lot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.
Verse 168
ﮏﮐﮑﮒﮓ
ﮔ
Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.
Verse 169
ﮕﮖﮗﮘﮙ
ﮚ
O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.
Verse 170
ﮛﮜﮝ
ﮞ
Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.
Verse 171
ﮟﮠﮡﮢ
ﮣ
Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.
Verse 172
ﮤﮥﮦ
ﮧ
Daarna verdelgden wij de overigen.
Verse 173
En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.
Verse 174
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
Verse 175
ﯛﯜﯝﯞﯟ
ﯠ
Uw Heer is de machtige, de genadige.
Verse 176
ﯡﯢﯣﯤ
ﯥ
Ook de bewoners van het woud beschuldigden Gods gezanten van bedrog.
Verse 177
ﯦﯧﯨﯩﯪﯫ
ﯬ
Toen Shoaib tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
Verse 178
ﯭﯮﯯﯰ
ﯱ
Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.
Verse 179
ﯲﯳﯴ
ﯵ
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
Verse 180
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.
Verse 181
Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.
Verse 182
ﰋﰌﰍ
ﰎ
En weegt met een gelijke weegschaal.
Verse 183
En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.
Verse 184
ﭑﭒﭓﭔﭕ
ﭖ
En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.
Verse 185
ﭗﭘﭙﭚﭛ
ﭜ
Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.
Verse 186
Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.
Verse 187
Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.
Verse 188
ﭱﭲﭳﭴﭵ
ﭶ
Shoaib zeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.
Verse 189
En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk, en dit was de straf van den vreeselijken dag.
Verse 190
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
Verse 191
ﮍﮎﮏﮐﮑ
ﮒ
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
Verse 192
ﮓﮔﮕﮖ
ﮗ
Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.
Verse 193
ﮘﮙﮚﮛ
ﮜ
Welke de getrouwe geest op uw hart heeft doen nederdalen.
Verse 194
ﮝﮞﮟﮠﮡ
ﮢ
Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,
Verse 195
ﮣﮤﮥ
ﮦ
In de duidelijke Arabische taal.
Verse 196
ﮧﮨﮩﮪ
ﮫ
Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.
Verse 197
Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?
Verse 198
ﯗﯘﯙﯚﯛ
ﯜ
Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.
Verse 199
ﯝﯞﯟﯠﯡﯢ
ﯣ
En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.
Verse 200
ﯤﯥﯦﯧﯨ
ﯩ
Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.
Verse 201
Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.
Verse 202
ﯲﯳﯴﯵﯶ
ﯷ
Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.
Verse 203
ﯸﯹﯺﯻ
ﯼ
En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?
Verse 204
ﯽﯾ
ﯿ
Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast?
Verse 205
ﰀﰁﰂﰃ
ﰄ
Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.
Verse 206
ﰅﰆﰇﰈﰉ
ﰊ
En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.
Verse 207
ﭑﭒﭓﭔﭕﭖ
ﭗ
Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?
Verse 208
Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.
Verse 209
ﭠﭡﭢﭣ
ﭤ
Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.
Verse 210
ﭥﭦﭧﭨ
ﭩ
De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;
Verse 211
ﭪﭫﭬﭭﭮ
ﭯ
Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.
Verse 212
ﭰﭱﭲﭳ
ﭴ
Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren.
Verse 213
Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.
Verse 214
ﭿﮀﮁ
ﮂ
En vermaan uwe naaste betrekkingen.
Verse 215
ﮃﮄﮅﮆﮇﮈ
ﮉ
En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de ware geloovigen die u volgen.
Verse 216
En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.
Verse 217
ﮒﮓﮔﮕ
ﮖ
En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.
Verse 218
ﮗﮘﮙﮚ
ﮛ
Die u ziet als gij opstaat,
Verse 219
ﮜﮝﮞ
ﮟ
En uw gedrag onder hen die aanbidden;
Verse 220
ﮠﮡﮢﮣ
ﮤ
Want hij ziet en hoort alles.
Verse 221
ﮥﮦﮧﮨﮩﮪ
ﮫ
Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?
Verse 222
ﮬﮭﮮﮯﮰ
ﮱ
Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon.
Verse 223
ﯓﯔﯕﯖ
ﯗ
Zij leeren wat gehoord is geworden, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.
Verse 224
ﯘﯙﯚ
ﯛ
En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.
Verse 225
Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen?
Verse 226
ﯤﯥﯦﯧﯨ
ﯩ
En dat zij zeggen, wat zij niet doen?
Verse 227
Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken. En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.
تقدم القراءة