Vertaling van Soera الصافات in het فلمكني (هولندية) uit Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
Verse 1
ﭑﭒ
ﭓ
Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen.
Verse 2
ﭔﭕ
ﭖ
En bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden.
Verse 3
ﭗﭘ
ﭙ
En bij hen, die den Koran lezen als eene vermaning,
Verse 4
ﭚﭛﭜ
ﭝ
Waarlijk, uw Heer is eenig.
Verse 5
De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is, en de Heer van het Oosten.
Verse 6
ﭦﭧﭨﭩﭪﭫ
ﭬ
Wij hebben den ondersten hemel met het versiersel der sterrren getooid.
Verse 7
ﭭﭮﭯﭰﭱ
ﭲ
En wij hebben daarin een wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst.
Verse 8
Opdat zij niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden van alle zijden bestormd),
Verse 9
ﭽﭾﭿﮀﮁ
ﮂ
En eene zware marteling is voor hen gereed gemaakt.
Verse 10
Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt, en door eene vlammende schicht wordt getroffen.
Verse 11
Vraag daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van harde klei geschapen.
Verse 12
ﮙﮚﮛ
ﮜ
Gij verbaast u over Gods macht en hunne weêrspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke aangevoerd worden om hen te overtuigen.
Verse 13
ﮝﮞﮟﮠ
ﮡ
Als zij gewaarschuwd worden, nemen zij geene waarschuwing aan.
Verse 14
ﮢﮣﮤﮥ
ﮦ
En als zij iets zien, spotten zij er mede.
Verse 15
ﮧﮨﮩﮪﮫﮬ
ﮭ
En zeggen: Dit is niet anders dan duidelijke tooverij.
Verse 16
Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden opgewekt.
Verse 17
ﯗﯘ
ﯙ
En onze voorvaderen ook?
Verse 18
ﯚﯛﯜﯝ
ﯞ
Antwoord: Ja! en dan zult gij veracht wezen.
Verse 19
Er zal slechts eenmaal op de trompet worden geblazen, en zij zullen rond zien.
Verse 20
ﯧﯨﯩﯪﯫ
ﯬ
En zullen zeggen: Wee over ons! Dit is de dag des oordeels.
Verse 21
Dit is de dag der onderscheiding tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen verwerpt.
Verse 22
Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden.
Verse 23
Naast God, en leidt hen op den weg der hel.
Verse 24
ﰆﰇﰈﰉ
ﰊ
En plaats hen voor Gods vierschaar; want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen.
Verse 25
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
Wat deert u, dat gij elkander niet verdedigt?
Verse 26
ﭖﭗﭘﭙ
ﭚ
Maar op dien dag zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen.
Verse 27
ﭛﭜﭝﭞﭟ
ﭠ
En zij zullen elkander naderen en onder elkander twisten.
Verse 28
ﭡﭢﭣﭤﭥﭦ
ﭧ
En de verleiden zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt tot ons met voorspellingen van voorspoed.
Verse 29
ﭨﭩﭪﭫﭬ
ﭭ
En de verleiders zullen antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen;
Verse 30
Want wij hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig gezondigd.
Verse 31
Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven.
Verse 32
ﮂﮃﮄﮅ
ﮆ
Wij verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven.
Verse 33
ﮇﮈﮉﮊﮋ
ﮌ
Zij zullen op dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn.
Verse 34
ﮍﮎﮏﮐ
ﮑ
Zoo zullen wij met de zondaren handelen;
Verse 35
Want toen er tot hen werd gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op met hoogmoed.
Verse 36
ﮝﮞﮟﮠﮡﮢ
ﮣ
En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten?
Verse 37
ﮤﮥﮦﮧﮨ
ﮩ
Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis af voor de vroegere gezanten.
Verse 38
ﮪﮫﮬﮭ
ﮮ
Gij zult zekerlijk de pijnlijke martelingen der hel proeven.
Verse 39
ﮯﮰﮱﯓﯔﯕ
ﯖ
En gij zult niet vergolden worden, dan overeenkomstig uwe werken.
Verse 40
ﯗﯘﯙﯚ
ﯛ
Maar wat de oprechte dienaren Gods betreft.
Verse 41
ﯜﯝﯞﯟ
ﯠ
Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben:
Verse 42
ﯡﯢﯣ
ﯤ
Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen geëerd worden.
Verse 43
ﯥﯦﯧ
ﯨ
Zij zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden.
Verse 44
ﯩﯪﯫ
ﯬ
Leunende in tegenover elkander geplaatste zetels.
Verse 45
ﯭﯮﯯﯰﯱ
ﯲ
Een beker zal onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein;
Verse 46
ﯳﯴﯵ
ﯶ
Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken.
Verse 47
Het zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd worden.
Verse 48
ﯿﰀﰁﰂ
ﰃ
En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen, hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende, hebbende groote, zwarte oogen,
Verse 49
ﰄﰅﰆ
ﰇ
En gelijkende op de eieren van een struisvogel, zorgvol met vederen bedekt.
Verse 50
ﰈﰉﰊﰋﰌ
ﰍ
En zij zullen zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen.
Verse 51
En een van hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik op de wereld leefde.
Verse 52
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die de waarheid der opstanding betuigen?
Verse 53
Nadat wij dood zullen zijn, en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk worden geoordeeld?
Verse 54
ﭞﭟﭠﭡ
ﭢ
Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt gij nederzien?
Verse 55
ﭣﭤﭥﭦﭧ
ﭨ
En zij zullen nederzien en hem in het midden der hel ontwaren.
Verse 56
ﭩﭪﭫﭬﭭ
ﭮ
En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak weinig aan, of gij hadt mij verdorven.
Verse 57
ﭯﭰﭱﭲﭳﭴ
ﭵ
En was het niet door de genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling overgeleverd geworden.
Verse 58
ﭶﭷﭸ
ﭹ
Zullen wij een anderen dan onzen eersten dood sterven?
Verse 59
ﭺﭻﭼﭽﭾﭿ
ﮀ
Of ondergaan wij eenige straf?
Verse 60
ﮁﮂﮃﮄﮅ
ﮆ
Waarlijk, wij genieten eene groote gelukzaligheid.
Verse 61
ﮇﮈﮉﮊ
ﮋ
Laten de arbeiders arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven.
Verse 62
ﮌﮍﮎﮏﮐﮑ
ﮒ
Is dit een beter onthaal, of de boom van al Zakkum?
Verse 63
ﮓﮔﮕﮖ
ﮗ
Waarlijk, wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de onrechtvaardigen
Verse 64
ﮘﮙﮚﮛﮜﮝ
ﮞ
Het is een boom die aan den bodem der hel ontspruit.
Verse 65
ﮟﮠﮡﮢ
ﮣ
De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van duivelen.
Verse 66
ﮤﮥﮦﮧﮨﮩ
ﮪ
De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne buiken daarmede vullen.
Verse 67
Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en kokend water te drinken worden gegeven.
Verse 68
ﯔﯕﯖﯗﯘ
ﯙ
Daarna zullen zij in de hel terugkeeren.
Verse 69
ﯚﯛﯜﯝ
ﯞ
Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren.
Verse 70
ﯟﯠﯡﯢ
ﯣ
En zij traden haastig in hunne voetstappen;
Verse 71
ﯤﯥﯦﯧﯨ
ﯩ
Want het meerendeel der oude volken dwaalden vóór hen.
Verse 72
ﯪﯫﯬﯭ
ﯮ
Wij zonden vroeger waarschuwers tot hen;
Verse 73
ﯯﯰﯱﯲﯳ
ﯴ
Maar zie hoe ellendig het einde was van degenen, die gewaarschuwd werden.
Verse 74
ﯵﯶﯷﯸ
ﯹ
En die niet onze oprechte dienaren waren.
Verse 75
ﯺﯻﯼﯽﯾ
ﯿ
Noach riep ons in vroegere dagen aan, en wij verhoorden hem genadiglijk.
Verse 76
ﰀﰁﰂﰃﰄ
ﰅ
En wij bevrijdden hem en zijn gezin uit de groote ellende.
Verse 77
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
Wij deden zijne nakomelingschap den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken.
Verse 78
ﭖﭗﭘﭙ
ﭚ
En wij lieten hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven:
Verse 79
ﭛﭜﭝﭞﭟ
ﭠ
Vrede zij op Noach onder alle schepselen!
Verse 80
ﭡﭢﭣﭤ
ﭥ
Zoo beloonen wij de rechtvaardigen.
Verse 81
ﭦﭧﭨﭩ
ﭪ
Want hij was een van onze dienaren, de ware geloovigen.
Verse 82
ﭫﭬﭭ
ﭮ
Daarna verdronken wij de anderen.
Verse 83
ﭯﭰﭱﭲﭳ
ﭴ
Abraham was mede van zijnen godsdienst;
Verse 84
ﭵﭶﭷﭸﭹ
ﭺ
Toen hij met een volkomen hart tot zijn Heer kwam.
Verse 85
ﭻﭼﭽﭾﭿﮀ
ﮁ
Toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat vreest gij?
Verse 86
ﮂﮃﮄﮅﮆ
ﮇ
Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven den waren God?
Verse 87
ﮈﮉﮊﮋ
ﮌ
Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller schepselen?
Verse 88
ﮍﮎﮏﮐ
ﮑ
En hij beschouwde de sterren.
Verse 89
ﮒﮓﮔ
ﮕ
En zeide: Waarlijk, ik zal ziek wezen en niet bij uwe offeringen tegenwoordig zijn.
Verse 90
ﮖﮗﮘ
ﮙ
En zij keerden zich af en verlieten hem.
Verse 91
ﮚﮛﮜﮝﮞﮟ
ﮠ
En Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet?
Verse 92
ﮡﮢﮣﮤ
ﮥ
Wat deert u, dat gij niet spreekt?
Verse 93
ﮦﮧﮨﮩ
ﮪ
En hij keerde zich tot hen, en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen.
Verse 94
ﮫﮬﮭ
ﮮ
En zijn volk kwam haastig tot hem.
Verse 95
ﮯﮰﮱﯓ
ﯔ
Hij zeide: Aanbidt gij de beelden die gij zelven snijdt?
Verse 96
ﯕﯖﯗﯘ
ﯙ
Terwijl God u heeft geschapen en ook datgene wat gij maakt.
Verse 97
Zij zeiden: Richt een brandstapel voor hem op en werp hem in het gloeiende vuur.
Verse 98
ﯢﯣﯤﯥﯦ
ﯧ
En zij smeedden eene list tegen hem. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden hem.
Verse 99
ﯨﯩﯪﯫﯬﯭ
ﯮ
En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer, die mij zal richten.
Verse 100
ﯯﯰﯱﯲﯳ
ﯴ
O Heer! geef mij eene rechtvaardige nakomelingschap.
Verse 101
ﯵﯶﯷ
ﯸ
Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon zou bekomen, die een zachten aard zou hebben.
Verse 102
En toen hij den ouderdom der jongelingschap had bereikt, en zich met hem in de verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. Zeide Abraham tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als eene offerande zoude aanbieden. Overweeg dus wat gij meent, dat ik zal doen. Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam zal ondergaan.
Verse 103
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had gelegd.
Verse 104
ﭖﭗﭘ
ﭙ
Riepen wij hem toe: O Abraham!
Verse 105
Gij hebt aan uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige.
Verse 106
ﭣﭤﭥﭦﭧ
ﭨ
Waarlijk, dit was eene duidelijke proef.
Verse 107
ﭩﭪﭫ
ﭬ
En wij losten zijn zoon met een edel slachtoffer uit.
Verse 108
ﭭﭮﭯﭰ
ﭱ
En wij lieten hem de volgende groete door de verste nakomelingschap bewaren;
Verse 109
ﭲﭳﭴ
ﭵ
Namelijk: Vrede zij op Abraham!
Verse 110
ﭶﭷﭸ
ﭹ
Zoo beloonen wij den rechtvaardige;
Verse 111
ﭺﭻﭼﭽ
ﭾ
Want hij was een onzer geloovige dienaren.
Verse 112
ﭿﮀﮁﮂﮃ
ﮄ
Wij verblijdden hem met de belofte van Izaäk, een rechtvaardigen profeet.
Verse 113
En wij zegenden hem en Izaäk; en onder hunne nakomelingschap waren eenige rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen nadeel toebrachten.
Verse 114
ﮑﮒﮓﮔﮕ
ﮖ
Wij waren ook vroeger genadig omtrent Mozes en Aäron.
Verse 115
ﮗﮘﮙﮚﮛ
ﮜ
En wij bevrijdden hen en hun volk van eene groote ellende.
Verse 116
ﮝﮞﮟﮠ
ﮡ
Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren, en zij werden overwinnaars.
Verse 117
ﮢﮣﮤ
ﮥ
Wij gaven hun het duidelijke boek der wet.
Verse 118
ﮦﮧﮨ
ﮩ
Wij leidden hen op den rechten weg.
Verse 119
ﮪﮫﮬﮭ
ﮮ
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hen bewaren;
Verse 120
ﮯﮰﮱﯓ
ﯔ
Namelijk: Vrede zij op Mozes en Aäron!
Verse 121
ﯕﯖﯗﯘ
ﯙ
Zoo beloonen wij de rechtvaardigen.
Verse 122
ﯚﯛﯜﯝ
ﯞ
Want zij waren twee onzer geloovige dienaren.
Verse 123
ﯟﯠﯡﯢ
ﯣ
En Elias was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.
Verse 124
ﯤﯥﯦﯧﯨ
ﯩ
Toen hij tot zijn volk zeide: Vreest gij God niet?
Verse 125
ﯪﯫﯬﯭﯮ
ﯯ
Roept gij Baal aan, en verzaakt gij den uitmuntendsten schepper?
Verse 126
ﯰﯱﯲﯳﯴ
ﯵ
God is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.
Verse 127
ﭑﭒﭓ
ﭔ
Maar zij beschuldigden hem van bedrog.
Verse 128
ﭕﭖﭗﭘ
ﭙ
Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods
Verse 129
ﭚﭛﭜﭝ
ﭞ
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren.
Verse 130
ﭟﭠﭡﭢ
ﭣ
Namelijk: Vrede zij op Ilyasin!
Verse 131
ﭤﭥﭦﭧ
ﭨ
Zoo beloonen wij den rechtvaardige.
Verse 132
ﭩﭪﭫﭬ
ﭭ
Want hij was een onzer geloovige dienaren.
Verse 133
ﭮﭯﭰﭱ
ﭲ
En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.
Verse 134
ﭳﭴﭵﭶ
ﭷ
Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden.
Verse 135
ﭸﭹﭺﭻ
ﭼ
Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven.
Verse 136
ﭽﭾﭿ
ﮀ
Daarna verdelgden wij de anderen.
Verse 137
ﮁﮂﮃﮄ
ﮅ
En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist.
Verse 138
ﮆﮇﮈﮉ
ﮊ
En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen?
Verse 139
ﮋﮌﮍﮎ
ﮏ
Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden.
Verse 140
ﮐﮑﮒﮓﮔ
ﮕ
Toen hij in een geladen schip vluchtte.
Verse 141
ﮖﮗﮘﮙ
ﮚ
En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld.
Verse 142
ﮛﮜﮝﮞ
ﮟ
En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend.
Verse 143
ﮠﮡﮢﮣﮤ
ﮥ
En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven.
Verse 144
ﮦﮧﮨﮩﮪﮫ
ﮬ
Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven.
Verse 145
ﮭﮮﮯﮰﮱ
ﯓ
En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek.
Verse 146
ﯔﯕﯖﯗﯘ
ﯙ
Wij deden een pompoenplant over hem heen groeien.
Verse 147
ﯚﯛﯜﯝﯞﯟ
ﯠ
Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer.
Verse 148
ﯡﯢﯣﯤ
ﯥ
En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten.
Verse 149
ﯦﯧﯨﯩﯪ
ﯫ
Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben?
Verse 150
ﯬﯭﯮﯯﯰﯱ
ﯲ
Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van?
Verse 151
ﯳﯴﯵﯶﯷ
ﯸ
Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding:
Verse 152
ﯹﯺﯻﯼ
ﯽ
God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars?
Verse 153
ﯾﯿﰀﰁ
ﰂ
Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen?
Verse 154
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
Gij hebt geene reden aldus te oordeelen.
Verse 155
ﭖﭗ
ﭘ
Wilt gij dus niet vermaand wezen?
Verse 156
ﭙﭚﭛﭜ
ﭝ
Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt?
Verse 157
ﭞﭟﭠﭡﭢ
ﭣ
Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt.
Verse 158
En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd.
Verse 159
ﭰﭱﭲﭳ
ﭴ
(God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren):
Verse 160
ﭵﭶﭷﭸ
ﭹ
Maar niet Gods oprechte dienaren.
Verse 161
ﭺﭻﭼ
ﭽ
Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,
Verse 162
ﭾﭿﮀﮁ
ﮂ
Zullen niemand nopens God verleiden.
Verse 163
ﮃﮄﮅﮆﮇ
ﮈ
Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden.
Verse 164
ﮉﮊﮋﮌﮍﮎ
ﮏ
Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats.
Verse 165
ﮐﮑﮒ
ﮓ
Wij scharen ons in orde,
Verse 166
ﮔﮕﮖ
ﮗ
Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof.
Verse 167
ﮘﮙﮚ
ﮛ
De ongeloovigen zeiden:
Verse 168
ﮜﮝﮞﮟﮠﮡ
ﮢ
Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken.
Verse 169
ﮣﮤﮥﮦ
ﮧ
Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest;
Verse 170
ﮨﮩﮪﮫﮬ
ﮭ
Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen.
Verse 171
ﮮﮯﮰﮱﯓ
ﯔ
Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven.
Verse 172
ﯕﯖﯗ
ﯘ
Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden,
Verse 173
ﯙﯚﯛﯜ
ﯝ
En dat onze legers de overwinning zouden behalen.
Verse 174
ﯞﯟﯠﯡ
ﯢ
Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af.
Verse 175
ﯣﯤﯥ
ﯦ
En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien.
Verse 176
ﯧﯨ
ﯩ
Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten?
Verse 177
ﯪﯫﯬﯭﯮﯯ
ﯰ
Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd.
Verse 178
ﯱﯲﯳﯴ
ﯵ
Wend u dus voor eenigen tijd van hen af.
Verse 179
ﯶﯷﯸ
ﯹ
Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren.
Verse 180
ﯺﯻﯼﯽﯾﯿ
ﰀ
Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren!
Verse 181
ﰁﰂﰃ
ﰄ
Vrede zij op zijne gezanten.
Verse 182
ﰅﰆﰇﰈ
ﰉ
En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!
تقدم القراءة