سورة الشعراء

Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation

Vertaling van Soera الشعراء in het فلمكني (هولندية) uit Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation

Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation


Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van Mekka niet geloovig willen worden.

Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.

Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.

En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.

Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.

En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken; wijs Aäron dus aan om mijn helper te wezen.

Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.

God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.

En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond?

Pharao zeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?

Pharao zeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten.

Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn.

Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?

En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,

Pharao zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.

Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.

Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.

Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.

Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn.
Verse 46

Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder

Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.

En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.
Verse 54

Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.
Verse 58

Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.
Verse 60

En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon.

En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.

En wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.

Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.
Verse 76

En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.
Verse 81

En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.

Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.
Verse 90

Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.
Verse 91

En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;

Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?
Verse 94

En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,
Verse 96

De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:
Verse 98

Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.

Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.
Verse 105

Het volk van Noach beschuldigde Gods zendingen van bedrog.

Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?

Zij hernamen: Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.

Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.
Verse 123

De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper van logen.
Verse 128

Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken?
Verse 129

En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig te bezitten?
Verse 130

En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit.
Verse 131

Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij].
Verse 138

Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.
Verse 141

De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.
Verse 146

Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,
Verse 148

En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?
Verse 149

En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt?

Saleh zeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag.
Verse 157

Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.
Verse 160

Het volk van Lot beschuldigde Gods boodschappers eveneens van bedrog.
Verse 170

Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.
Verse 171

Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.

En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.
Verse 176

Ook de bewoners van het woud beschuldigden Gods gezanten van bedrog.

En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk, en dit was de straf van den vreeselijken dag.
Verse 192

Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.
Verse 193

Welke de getrouwe geest op uw hart heeft doen nederdalen.
Verse 196

Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.

En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.
Verse 200

Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.
Verse 202

Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.
Verse 204

Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast?
Verse 205

Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.
Verse 209

Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.
Verse 210

De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;
Verse 211

Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.
Verse 212

Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren.

En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.
Verse 223

Zij leeren wat gehoord is geworden, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.
Verse 224

En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.

Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken. En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.
تقدم القراءة