Vertaling van Soera يس in het فلمكني (هولندية) uit Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
Verse 1
ﭬ
ﭭ
Ya Sin.
Verse 2
ﭮﭯ
ﭰ
Ik zweer bij den onderrichtenden Koran.
Verse 3
ﭱﭲﭳ
ﭴ
Dat gij een der gezanten van God zijt.
Verse 4
ﭵﭶﭷ
ﭸ
Gezonden om den rechten weg te toonen.
Verse 5
ﭹﭺﭻ
ﭼ
Dit is eene openbaring van den machtigen, den barmhartigen God.
Verse 6
Opdat gij een volk zoudt waarschuwen, welks vaderen niet gewaarschuwd waren en dat in achteloosheid leeft.
Verse 7
Ons oordeel is rechtvaardig uitgesproken tegen het meerendeel. Immers, zij zullen niet gelooven.
Verse 8
Wij hebben jukken op hunnen nek gelegd, die tot aan hunne kin reiken, en zij zijn gedwongen hunne hoofden overeind te houden;
Verse 9
En wij hebben een staak vóór hen, en een staak achter hen geplaatst, en wij hebben hen met duisternis bedekt; daarom zullen zij niet zien.
Verse 10
Het zal hun gelijk zijn, hetzij gij al of niet tot hen predikt: zij zullen niet gelooven.
Verse 11
Maar gij zult alleen met goeden uitslag prediken tot hem, die de vermaning van den Koran volgt, en den Barmhartigen in het geheim vreest. Breng dus goede tijdingen van genade tot hen en eene eervolle belooning.
Verse 12
Waarlijk, wij zullen de dooden tot het leven terugbrengen, en hunne werken opteekenen, welke zij voor zich uit zullen hebben gezonden, en hunne voetstappen, die zij achter zich zullen hebben gelaten; en iedere zaak plaatsen wij in een duidelijk register.
Verse 13
Stel hun, als een voorbeeld, de bewoners der stad van Antiochië voor, toen de Apostelen van Jezus daarheen kwamen.
Verse 14
Toen wij twee van deze tot hen zouden; maar zij beschuldigden hen van bedrog. Daarom versterkten wij hen met een derden. En zij zeiden: Waarlijk wij zijn u door God gezonden.
Verse 15
De inwoners antwoordden: Gij zijt niet anders dan menschen, zooals wij zijn; nimmer heeft de Barmhartige u iets geopenbaard: gij maakt slechts een leugen bekend.
Verse 16
ﭶﭷﭸﭹﭺﭻ
ﭼ
De apostelen hernamen: Onze heer weet, dat wij werkelijk tot u zijn gezonden.
Verse 17
ﭽﭾﭿﮀﮁ
ﮂ
En onze plicht is alleen in het openbaar te prediken.
Verse 18
Die van Antiochië zeiden. Waarlijk, wij voorzien kwaad van u; indien gij niet met prediken ophoudt, zullen wij u zekerlijk steenigen, en u zal eene smartelijke straf door ons worden opgelegd.
Verse 19
De apostelen antwoordden: Uwe kwade voorspelling is met u zelven; doch gij wilt in uwe dwalingen volharden, niettegenstaande gij gewaarschuwd zijt. Waarlijk, gij zijt een volk, dat overmatig zondigt.
Verse 20
En zeker man kwam angstig van de verder gelegen gedeelten der stad, en zeide: O mijn volk! volgt de gezanten van God.
Verse 21
Volgt hen, die geene belooning van u vragen; want deze worden op den rechten weg geleid.
Verse 22
Welke reden heb ik er voor, hem niet te vreezen, die mij geschapen heeft, en tot wien gij allen zult terugkeeren.
Verse 23
Zal ik andere goden buiten hem kiezen? Indien het den Barmhartige behaagt, mij te bedroeven, zal hunne bemiddeling mij volstrekt niet baten, ook kunnen zij mij niet bevrijden.
Verse 24
ﯪﯫﯬﯭﯮ
ﯯ
Dan zou ik in eene duidelijke dwaling verkeeren.
Verse 25
ﯰﯱﯲﯳ
ﯴ
Waarlijk, ik geloof in uwen Heer; luistert dus naar mij.
Verse 26
Maar zij steenigden hem en toen hij stierf, werd tot hem gezegd: Treed het paradijs binnen. En hij zeide: O, dat mijn volk wist,
Verse 27
Hoe genadig God mij is geweest! want hij heeft mij hoogelijk vereerd.
Verse 28
En nadat zij hem hadden gedood, zonden wij geen leger van den hemel tegen zijn volk af, noch de andere werktuigen van vernietiging, welke wij in vroegere dagen tegen de ongeloovigen afzonden.
Verse 29
Er was slechts een kreet van Gabriël uit den hemel en, zie, zij werden geheel uitgeroeid.
Verse 30
O, hoe ellendig zijn de menschen! Geen gezant kwam tot hen of zij lachten hem met verachting uit.
Verse 31
Overwegen zij niet, hoeveel geslachten wij vóór hen hebben verdelgd? Waarlijk, zij zullen niet tot hen terugkeeren.
Verse 32
ﮂﮃﮄﮅﮆﮇ
ﮈ
Maar allen, in het algemeen, zullen voor ons worden verzameld.
Verse 33
Een teeken der opstanding voor hen is de verdroogde, doode aarde; wij verkwikken die door den regen, en doen daaruit verschillende soorten van granen voortkomen, waarvan zij eten.
Verse 34
En wij vormden daar tuinen van palmboomen en wijngaarden, en wij deden er fonteinen ontspringen.
Verse 35
Opdat zij van hunne vruchten en van den arbeid hunner handen zouden mogen eten. Zullen zij daarvoor niet dankbaar wezen?
Verse 36
Geloofd zij hij, die alle soorten heeft geschapen, zoowel van de planten welke de aarde voorbrengt, als onder de menschen en onder de dingen, welke zij niet kennen.
Verse 37
De nacht is mede een teeken voor hen: wij nemen den dag daarvan weg en, zie, zij zijn met duisternis bedekt.
Verse 38
En de zon spoedt zich naar hare rustplaats. Dit is de beschikking van den machtigen, den wijzen God.
Verse 39
En voor de maan hebben wij zekere verblijfplaatsen aangewezen, opdat zij verandere, en weder gelijk worde aan den ouden, gekromden tak van een palm.
Verse 40
Het is der zon niet gegeven de maan in haren loop te bereiken, noch dat de nacht den dag vooruitstreeft; maar ieder dezer lichten beweegt zich in eene afzonderlijke sfeer.
Verse 41
Het is ook een teeken voor hen, dat zij hunne nakomelingschap in een schip bewaarden met alles gevuld.
Verse 42
ﭚﭛﭜﭝﭞﭟ
ﭠ
En dat wij voor hen andere, daaraan gelijke inrichtingen hebben gevormd, waarop zij rijden.
Verse 43
Indien het ons behaagt, verdrinken wij hen, en er is niemand om hen te helpen; ook worden zij niet bevrijd.
Verse 44
ﭫﭬﭭﭮﭯﭰ
ﭱ
Tenzij door onze genade, en opdat zij zich nog eenigen tijd in dit leven zouden mogen verheugen.
Verse 45
Toen tot hen werd gezegd: Vreest hetgeen vóór u en hetgeen achter u is opdat gij genade moogt verwerven, keerden zij van u weg.
Verse 46
En gij brengt hun geen teeken van de teekenen van uwen Heer, of zij wenden zich daarvan af.
Verse 47
En als hun wordt gezegd: Geeft aalmoezen van het geen God u heeft geschonken, zeggen de ongeloovigen, spottenderwijze, tot hen die gelooven: Zullen wij dengenen voeden, dien God kan voeden, zoo het hem behaagt? Waarlijk, gij verkeert in eene duidelijke dwaling.
Verse 48
En zij zeggen: wanneer zal deze belofte der opstanding vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt?
Verse 49
Zij wachten slechts op een klank van de trompet, die hen zal overvallen, terwijl zij met elkander twisten.
Verse 50
En zij zullen geen tijd hebben om eenige beschikking over hunne bezittingen te maken, en zij zullen niet tot hun gezin terugkeeren.
Verse 51
De trompet zal weder klinken; en ziet, zij zullen uit hunne graven voortkomen en zich naar hunnen Heer spoeden.
Verse 52
Zij zullen zeggen: Wee over ons! wie heeft ons van ons bed gewekt? Dit is wat de Barmhartige ons heeft beloofd, en zijne gezanten spraken de waarheid.
Verse 53
Het zal slechts één klank van den trompet zijn, en ziet, zij zullen allen voor ons worden verzameld.
Verse 54
Op dien dag zal geene ziel in het minste onrechtvaardig worden behandeld; ook zult gij niet anders vergolden worden, dan overeenkomstig hetgeen gij zult hebben verricht.
Verse 55
Op dien dag zullen de bewoners van het paradijs geheel met vreugde vervuld zijn.
Verse 56
Zij en hunne vrouwen zullen in schaduwrijke boschjes rusten, tegen heerlijke zetels leunende.
Verse 57
ﭡﭢﭣﭤﭥﭦ
ﭧ
Daar zullen zij vruchten hebben, en zij zullen alles verkrijgen, wat zij zullen begeeren.
Verse 58
ﭨﭩﭪﭫﭬ
ﭭ
Vrede zal het woord zijn, dat den rechtvaardige door den barmharigen God zal worden toegesproken.
Verse 59
ﭮﭯﭰﭱ
ﭲ
Maar hij zal tot de zondaren zeggen: Weest gij, o zondaren! dezen dag van de rechtvaardigen gescheiden.
Verse 60
Beval ik u niet, o zonen van Adam! dat gij Satan niet zoudt aanbidden, daar hij voor u een openlijke vijand was.
Verse 61
ﮃﮄﮅﮆﮇﮈ
ﮉ
En zeide ik niet: Vereert mij; dit is de ware weg.
Verse 62
Maar thans heeft hij een groot aantal uwer verleid; begrijpt gij het niet?
Verse 63
ﮔﮕﮖﮗﮘ
ﮙ
Dit is de hel, waarmede gij werdt bedreigd.
Verse 64
ﮚﮛﮜﮝﮞ
ﮟ
Heden wordt gij er in geworpen om verbrand te worden, omdat gij ongeloovig waart.
Verse 65
Op dien dag zullen wij hunne monden dichtzegelen, opdat zij die niet te hunner eigen verdediging kunnen openen, en hunne handen zullen tot ons spreken, en hunne voeten zullen getuigenis afleggen van hetgeen zij hebben bedreven.
Verse 66
Indien het ons behaagde, konden wij hunne oogen uitsteken, en zij zouden naijverig op den weg voorthollen, dien zij gewoon zijn te kiezen; en hoe zouden zij hunne dwaling zien?
Verse 67
En indien het ons behaagde, zouden wij hen in andere gedaante kunnen hervormen; zij zouden niet instaat zijn te vertrekken, en zij zouden geen berouw gevoelen.
Verse 68
Hem, wien wij een lang leven schenken, doen wij het lichaam door ouderdom krommen. Zullen zij dit niet begrijpen?
Verse 69
Wij hebben Mahomet de dichtkunst niet geleerd; ook is het niet nuttig voor hem, een dichter te wezen. Dit boek is slechts eene vermaning van God en een duidelijke Koran.
Verse 70
Opdat hij die leeft, daardoor moge gewaarschuwd worden; en het vonnis der veroordeeling zal rechtvaardig op de ongeloovigen worden uitgevoerd.
Verse 71
Overwegen zij niet, dat wij onder de dingen, welke onze handen hebben gewrocht, veel van verschillende soorten hebben geschapen, waarvan zij bezitters zijn.
Verse 72
ﭞﭟﭠﭡﭢﭣ
ﭤ
En dat wij hun dat hebben onderworpen? Sommige van deze dienen om er op te rijden, en sommige voeden hen.
Verse 73
Zij ontvangen daarvan nog andere voordeelen, en drinken van hare melk. Zullen zij dus niet dankbaar wezen?
Verse 74
Zij hebben andere goden naast God genomen, in de hoop, dat zij daardoor zouden worden ondersteund.
Verse 75
Maar deze zijn niet in staat, hun eenige ondersteuning te verleenen: zij zijn het veeleer, die als leger vóór hunne godheden dienen.
Verse 76
Laten hunne woorden u dus niet bedroeven: wij kennen wat zij heimelijk verbergen, en datgene wat zij openlijk ontdekken.
Verse 77
Weet de mensch niet, dat wij hem van zaad hebben geschapen? Maar ziet, hij is een openlijke bestrijder der opstanding.
Verse 78
Hij stelt ons eene vergelijking voor, en hij vergeet zijn schepping (zijn oorsprong). Hij zegt: Wie zal de beenderen, als zij verrot zijn, tot het leven terugbrengen?
Verse 79
Antwoord: Hij zal ze tot het leven terugbrengen, welke die het allereerst voortbracht: want hij is bedreven in iedere soort van schepping.
Verse 80
Wie geeft u vuur uit den groenen boom, waarmede gij uwe brandstof ontsteekt.
Verse 81
Is hij, die de hemelen en de aarde geschapen heeft, niet in staat nieuwe wezens gelijk aan hen te scheppen.
Verse 82
Zijn bevel, als hij een ding verlangt, is slechts dat hij zegt: Wees! en het is.
Verse 83
Geloofd zij dus hij, in wiens hand het koninkrijk van alle dingen is, en tot wien gij op den jongsten dag zult terugkeeren.
تقدم القراءة