Vertaling van Soera ص in het فلمكني (هولندية) uit Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
Verse 1
ﭑﭒﭓﭔﭕ
ﭖ
S. Ik zweer bij den Koran, gevuld met waarschuwingen.
Verse 2
ﭗﭘﭙﭚﭛﭜ
ﭝ
Waarlijk, de ongeloovigen zijn verkleefd aan trotschheid en twist.
Verse 3
Hoevele geslachten hebben wij voor hen verdelgd en zij riepen om genade; maar het was geen tijd meer om aan de straf te ontkomen.
Verse 4
Zij zijn verbaasd, dat een uit hen geboren waarschuwer tot hen is gekomen. En de ongeloovigen zeggen: Deze man is een toovenaar en een leugenaar.
Verse 5
Verklaart hij dat de goden één God zijn? Waarlijk dit is eene zonderlinge zaak.
Verse 6
En de voornaamste lieden onder hen vertrokken, zeggende tot elkander: Gaat en volhardt in de vereering uwer goden, waarlijk; u er van af te trekken is de bedoelde zaak.
Verse 7
Wij hebben niet van zoo iets in den laatsten godsdienst gehoord. Dit is niets dan eene valsche uitvinding.
Verse 8
Werd hem bij voorkeur boven een ander onzer eene waarschuwing nedergezonden? Waarlijk, zij verkeeren in eene dwaling omtrent mijne waarschuwing; doch zij hebben mijne wraak nog niet geproefd
Verse 9
Zijn de schatten der genade van uwen Heer, den Machtige, den Milddadige, in hunne handen?
Verse 10
Is het koninkrijk der hemelen en der aarde, en van hetgeen er tusschen is, in hun bezit? Indien dit zoo is, laat het dan met ladders (touwen) ten hemel opstijgen.
Verse 11
ﯟﯠﯡﯢﯣﯤ
ﯥ
Maar hunne legers, hoe talrijk die ook mochten zijn, zullen op de vlucht gejaagd worden.
Verse 12
Het volk van Noach, de stam van Ad en Pharao, de bezitter der staken beschuldigden, voor hen, de profeten van bedrog.
Verse 13
Ook de stam van Thamoed en het volk van Lot, en de bewoners van het woud nabij Madian deden dit en waren de bondgenooten tegen Gods gezanten.
Verse 14
Zij allen deden niet anders, dan hunne gezanten van valschheid beschuldigen, waardoor mijne wraak rechtvaardig op hen werd uitgeoefend.
Verse 15
En deze wachten slechts op een klank der trompet, die niet uitgesteld zal worden.
Verse 16
En zij zeggen spottende: O Heer! geef ons ons deel voor den dag der rekenschap.
Verse 17
Verdraag geduldig wat zij bedrijven en herinner hen onzen dienaar David, die met sterkte begaafd was; want hij was iemand, die zich ernstig tot God wendde.
Verse 18
Wij dwongen de bergen, onzen lof met hem te verkondigen, des avonds en bij het opgaan der zon;
Verse 19
ﭦﭧﭨﭩﭪﭫ
ﭬ
Alsook de vogelen die zich tot hem verzamelen, en die allen dikwijls met dat doel bij hem terug keerden.
Verse 20
ﭭﭮﭯﭰﭱﭲ
ﭳ
Wij stichten zijn koninkrijk, en wij gaven hem wijsheid en welsprekendheid van woorden.
Verse 21
Is het verhaal der twee twistende tot uwe kennis gekomen, toen zij, over den muur, in de bovenste vertrekken kwamen?
Verse 22
Toen zij tot David binnenkwamen, en hij bevreesd voor hen was, zeiden zij: Vrees niet, wij zijn twee tegenstanders, die een twist met elkander te beslechten hebben. De een van ons heeft den ander nadeel toegebracht: richt dus tusschen ons met waarheid: wees niet onrechtvaardig en leid ons op den rechten weg.
Verse 23
Deze, mijn broeder heeft negenennegentig schapen, en ik had slechts eene ooi, en hij zeide: Geef mij die, om ze te houden, en hij overwon mij in den twist, dien wij te zamen hadden.
Verse 24
David antwoordde: Waarlijk hij heeft u slecht behandeld, door u uwe ooi te vragen, als eene bijvoeging tot zijne eigen schapen; en velen van hen, die eene zaak met elkander hebben, benadeelen elkander, behalve zij, die gelooven en doen wat rechtvaardig is. Maar hoe weinigen zijn dat! En David bemerkte, dat wij hem door deze gelijkenis hadden beproefd, en hij vroeg vergiffenis van zijn Heer; hij viel neder, boog zich en betoonde berouw.
Verse 25
Daarom vergaven wij hem zijne fout, en hij zal toegelaten worden om ons te naderen, en hij zal eene uitmuntende verblijfplaats in het paradijs hebben.
Verse 26
O David! wij hebben u aangewezen, als een uitverkoren vorst op de aarde; oordeel dus tusschen de menschen met waarheid, en volg niet uw eigen hartstocht, opdat hij u niet van Gods weg doe afdwalen; want zij die van Gods weg afdwalen, zullen eene ernstige straf ondergaan, dewijl zij den dag van hulp hebben vergeten.
Verse 27
Wij hebben de hemelen en de aarde en wat daartusschen is, niet in ijdelheid geschapen. Dit is het oordeel der ongeloovigen; maar wee over hen, die niet gelooven, hun deel is het hellevuur.
Verse 28
Zullen wij met hen, die gelooven en goede werken verrichten, evenzoo doen, als met hen, die verderfelijk op aarde handelen? Zullen wij met den vrome even als met den zondaar handelen?
Verse 29
O Mahomet! wij hebben u een gezegend boek nedergezonden, opdat gij aandachtig over de teekenen daarvan zoudt nadenken, en de met verstand begiftigde menschen gewaarschuwd zouden mogen wezen.
Verse 30
En wij gaven aan David Salomo. Welk een uitmuntende dienaar! want hij wendde zich dikwijls tot den Heer.
Verse 31
ﮅﮆﮇﮈﮉﮊ
ﮋ
Toen de paarden, staande op drie pooten, en den grond met den kant van den vierden poot aanrakende en vlug in hunnen loop, des avonds voor hem werden ten toon gesteld.
Verse 32
Zeide hij: Waarlijk, ik heb de liefde der aardsche goederen bemind, boven de herdenking van mijn Heer, en heb den tijd besteed aan het beschouwen dezer paarden, terwijl de zon door den sluier des nachts is verborgen; breng de paarden weder voor mij.
Verse 33
En toen zij teruggebracht waren, begon hij hunne pooten en halzen af te snijden.
Verse 34
Ook beproefden wij Salomo, en plaatsten een nagebootst (misvormd) lichaam op zijn troon. Daarna wendde hij zich tot God.
Verse 35
En zeide: O Heer! vergeef mij en mijn koninkrijk, dat door niemand na mij zal worden verkregen; want gij zijt de schenker van koninkrijken.
Verse 36
En wij onderwierpen den wind aan hem, die op zijn bevel zachtjes heengleed, werwaarts wij dien richtten.
Verse 37
ﯥﯦﯧﯨ
ﯩ
En wij onderwierpen hem ook de duivels en, onder deze, degenen die behendig waren in het bouwen en van het duiken naar parelen.
Verse 38
ﯪﯫﯬﯭ
ﯮ
En wij leverden hem anderen over, die geketend waren,
Verse 39
Zeggende: Dit is ons geschenk; wees dus mild, of wees spaarzaam tegenover wien gij dit geschikt zult oordeelen, zonder daarvan rekenschap af te leggen.
Verse 40
ﯷﯸﯹﯺﯻﯼ
ﯽ
En hij zal ons naderen, en een heerlijk verblijf in het paradijs hebben.
Verse 41
En gedenk onzen dienaar Job, toen hij tot zijnen Heer riep, zeggende: Waarlijk, Satan heeft mij met rampen en pijn bedroefd.
Verse 42
En er werd tot hem gezegd: Strijk de aarde met uwen voet; en toen hij dit had gedaan, ontsprong er eene fontein, en er werd tot hem gezegd: Dit is voor u, om u er mede te wasschen, te verfrisschen en om te drinken.
Verse 43
En wij gaven hem zijn gezin terug, en nog eens zooveel bovendien, door onze genade.
Verse 44
En wij zeiden tot hem: Neem een handvol (of bundel) in uwe hand en sla er uwe vrouw mede, en breek uwen eed niet. Waarlijk, wij bevonden, dat hij een geduldig persoon was. Welk een uitmuntend dienaar was hij: want hij was iemand, die zich dikwijls tot ons wendde.
Verse 45
Gedenk ook onze dienaren Abraham, Izaäk en Jacob, die dappere en voorzichtige menschen waren.
Verse 46
ﭶﭷﭸﭹﭺ
ﭻ
Waarlijk, wij zuiverden hen met eene volkomene zuivering, door de herdenking van het volgende leven.
Verse 47
ﭼﭽﭾﭿﮀ
ﮁ
En zij waren goede menschen en voor ons aangezicht uitverkoren.
Verse 48
En gedenk Israël, en Elisha en Dhoe'lkefl: want deze allen waren goede menschen.
Verse 49
Dit is eene vermaning. Waarlijk, de vromen zullen eene uitnemende plaats hebben, om er terug te keeren;
Verse 50
ﮔﮕﮖﮗﮘ
ﮙ
Namelijk, tuinen van eeuwig verblijf, waarvan de ingangen voor hen zullen openstaan.
Verse 51
Als zij daarin nederliggen, zullen zij er verschillende soorten vruchten en dranken vinden.
Verse 52
ﮢﮣﮤﮥﮦ
ﮧ
En nabij hen zullen de maagden van het paradijs zitten, hare blikken van ieder afwendende; behalve van hare bruidegommen, van gelijken ouderdom als zij.
Verse 53
ﮨﮩﮪﮫﮬ
ﮭ
Dit is, wat u vóór den dag der rekenschap beloofd werd.
Verse 54
Dit is onze overvloed, die niet falen zal.
Verse 55
ﯗﯘﯙﯚﯛﯜ
ﯝ
Dit zal de belooning der rechtvaardigen wezen. Maar voor de zondaren is eene slechte schuilplaats gereed gemaakt;
Verse 56
ﯞﯟﯠﯡ
ﯢ
Namelijk de hel: zij zullen daarin geroepen worden om verbrand te worden, en dat zal eene ellendige rustplaats wezen;
Verse 57
ﯣﯤﯥﯦ
ﯧ
Proef dit, zal men hun zeggen; namelijk kokend water en het bedorven vocht, dat uit de lijken der verdoemden vloeit.
Verse 58
ﯨﯩﯪﯫ
ﯬ
En verschillende andere dingen van dezelfde soort.
Verse 59
En er zal tot de verleiders gezegd worden: Deze schaar, die door u werd geleid, zal te zamen met u, van boven neder in de hel geworpen worden. Zij zullen niet verwelkomd worden; want zij zullen het vuur binnengaan om verbrand te worden.
Verse 60
En de verleiden zullen tot hunne verleiders zeggen: Waarlijk, gij zult niet verwelkomd worden; gij hebt deze kastijding over ons gebracht, en de hel is een ellendig verblijf!
Verse 61
Zij zullen zeggen: O Heer! verdubbel in het hellevuur de marteling van hen, die deze straf over ons gebracht hebben.
Verse 62
En de ongeloovigen zullen zeggen: Waarom zien wij de menschen niet, welke wij onder de zondaren telden.
Verse 63
ﭜﭝﭞﭟﭠﭡ
ﭢ
En die wij met spot ontvingen? Of missen onze oogen hen?
Verse 64
ﭣﭤﭥﭦﭧﭨ
ﭩ
Inderdaad, dat is eene waarheid; namelijk de twist onder de bewoners van het hellevuur.
Verse 65
O Mahomet! zeg tot de afgodendienaars. Waarlijk, ik ben slechts een waarschuwer, en er is geen god, buiten den eenen, eenigen God, den Almachtige.
Verse 66
Den Heer van hemel en aarde en alles wat daartusschen is, den Machtige, den Vergever van zonden.
Verse 67
ﭿﮀﮁﮂ
ﮃ
Zeg: het is eene gewichtige zending.
Verse 68
ﮄﮅﮆ
ﮇ
Waarvan gij u afwendt.
Verse 69
Ik had geene kennis van de verheven vorsten, toen zij omtrent de schepping van den mensch twistten.
Verse 70
(Het werd mij slechts geopenbaard als een bewijs, dat ik een openbaar prediker was);
Verse 71
Toen uw Heer tot de engelen zeide: Ik zal den mensch van klei scheppen.
Verse 72
Als ik hem geschapen, en hem mijn geest zal hebben ingeblazen, valt gij voor hem neder, en aanbidt hem.
Verse 73
ﮯﮰﮱﯓ
ﯔ
En al de engelen vereerden hem in het algemeen.
Verse 74
ﯕﯖﯗﯘﯙﯚ
ﯛ
Behalve Eblis, die door hoogmoed was opgeblazen en een ongeloovige werd.
Verse 75
God zeide tot hem: O Eblis! wat verhindert u, datgeene te vereeren, wat ik met mijne handen heb geschapen. Zijt gij opgeblazen door ijdele trotschheid? of zijt gij werkelijk iemand van verheven verdienste?
Verse 76
Hij antwoordde: Ik ben uitnemender dan hij. Gij hebt mij van vuur geschapen, en hem hebt gij van klei gemaakt.
Verse 77
ﯷﯸﯹﯺﯻ
ﯼ
God zeide tot hem: Ga dus weg van hier; want gij zult van de genade verdreven (gesteenigd) worden.
Verse 78
ﯽﯾﯿﰀﰁﰂ
ﰃ
En mijn vloek zal op u rusten, tot den dag des oordeels.
Verse 79
ﰄﰅﰆﰇﰈﰉ
ﰊ
Hij hernam: O Heer! geef mij uitstel tot den dag der opstanding.
Verse 80
ﰋﰌﰍﰎ
ﰏ
God zeide: Waarlijk, gij zult een van hen zijn, die uitstel zullen ontvangen.
Verse 81
ﰐﰑﰒﰓ
ﰔ
Tot den dag van den bepaalden tijd.
Verse 82
ﰕﰖﰗﰘ
ﰙ
Eblis zeide: Ik zweer bij uw macht, dat ik hen allen zal verleiden.
Verse 83
ﰚﰛﰜﰝ
ﰞ
Behalve uwe dienaren, die bijzonder onder hen gekozen zullen worden.
Verse 84
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
God zeide: Het is een rechtvaardig vonnis, en ik spreek de waarheid;
Verse 85
Ik zal zekerlijk de hel met u vullen, en met dezulken die u volgen; allen te zamen.
Verse 86
Zeg tot de bewoners van Mekka: Ik vraag geenerlei belooning van u, voor deze mijne prediking, noch ben ik een van hen, die zich meester maken van een deel van datgene wat hun niet toebehoort.
Verse 87
ﭩﭪﭫﭬﭭ
ﭮ
De Koran is niets anders dan een vermaning aan alle schepselen.
Verse 88
ﭯﭰﭱﭲ
ﭳ
En na een zekeren tijd zult gij zekerlijk weten, wat van het daarin geschonkene, waar is.
تقدم القراءة