Vertaling van Soera الواقعة in het فلمكني (هولندية) uit Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
Verse 1
ﮃﮄﮅ
ﮆ
Als de onvermijdelijke dag des oordeels plotseling zal komen.
Verse 2
ﮇﮈﮉ
ﮊ
Zal geene ziel de voorspelling zijner komst van valschheid beschuldigen.
Verse 3
ﮋﮌ
ﮍ
Sommigen zullen daardoor vernederd, en anderen verheven worden.
Verse 4
ﮎﮏﮐﮑ
ﮒ
Als de aarde door een hevigen schok zal geschud worden.
Verse 5
ﮓﮔﮕ
ﮖ
En de bergen in stukken zullen springen.
Verse 6
ﮗﮘﮙ
ﮚ
En als weggeblazen stof zullen worden.
Verse 7
ﮛﮜﮝ
ﮞ
En gij, menschen, in drie duidelijke klassen zult verdeeld worden.
Verse 8
ﮟﮠﮡﮢﮣ
ﮤ
De makkers van de rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen).
Verse 9
ﮥﮦﮧﮨﮩ
ﮪ
En de makkers der linkerhand, (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn);
Verse 10
ﮫﮬ
ﮭ
En zij, die anderen in het geloof zijn voorgegaan, zullen hen in het paradijs voorafgaan.
Verse 11
ﮮﮯ
ﮰ
Dat zijn zij, die God zullen naderen.
Verse 12
ﮱﯓﯔ
ﯕ
Zij zullen in tuinen van vermaak wonen.
Verse 13
ﯖﯗﯘ
ﯙ
Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.
Verse 14
ﯚﯛﯜ
ﯝ
En enkelen van den lateren zijn.
Verse 15
ﯞﯟﯠ
ﯡ
Rustende op zetels met goud en edelgesteenten versierd.
Verse 16
ﯢﯣﯤ
ﯥ
En tegenover elkander daarop zittende.
Verse 17
ﭑﭒﭓﭔ
ﭕ
Jonge lieden, die eeuwig jong zullen blijven, zullen om hen heen gaan, om hen te bedienen.
Verse 18
ﭖﭗﭘﭙﭚ
ﭛ
Met bekers, kroezen en schalen met vloeienden wijn.
Verse 19
ﭜﭝﭞﭟﭠ
ﭡ
Hunne hoofden zullen geen pijn gevoelen, door dien te drinken, en hun verstand zal niet beneveld worden.
Verse 20
ﭢﭣﭤ
ﭥ
En met vruchten, van de soorten, welke zij zullen kiezen.
Verse 21
ﭦﭧﭨﭩ
ﭪ
En het vleesch van de vogelsoort, welke zij zullen begeeren.
Verse 22
ﭫﭬ
ﭭ
Daar zullen zij door schoone maagden worden vergezeld,
Verse 23
ﭮﭯﭰ
ﭱ
Met groote, zwarte oogen, gelijkende op paarlen, die in hare schelpen verborgen zijn.
Verse 24
ﭲﭳﭴﭵ
ﭶ
Dit zal een belooning wezen, voor hetgeen zij zullen hebben verricht.
Verse 25
ﭷﭸﭹﭺﭻﭼ
ﭽ
Daar zullen zij geene ijdele gesprekken hooren of eenige aansporing tot zonde.
Verse 26
ﭾﭿﮀﮁ
ﮂ
Maar alleen de begroeting: Vrede! vrede!
Verse 27
ﮃﮄﮅﮆﮇ
ﮈ
En de makkers der rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen!)
Verse 28
ﮉﮊﮋ
ﮌ
Zullen hun verblijf houden onder lotusboomen, vrij van doornen.
Verse 29
ﮍﮎ
ﮏ
En banaan-boomen, geregeld beladen met hunne voortbrengselen, van den top tot den stam.
Verse 30
ﮐﮑ
ﮒ
In de uitgebreide schaduw.
Verse 31
ﮓﮔ
ﮕ
Nabij een stroomend water.
Verse 32
ﮖﮗ
ﮘ
En te midden van een overvloed van vruchten.
Verse 33
ﮙﮚﮛﮜ
ﮝ
Welke niemand zal afsnijden, en waarvan de inzameling niet zal verboden zijn.
Verse 34
ﮞﮟ
ﮠ
En zij zullen op verheven bedden uitrusten.
Verse 35
ﮡﮢﮣ
ﮤ
Waarlijk, wij hebben de maagden van het paradijs door eene bijzondere schepping gevormd;
Verse 36
ﮥﮦ
ﮧ
En wij hebben haar tot maagden gemaakt.
Verse 37
ﮨﮩ
ﮪ
Bemind door hare echtgenooten, die van gelijken ouderdom met haar zijn.
Verse 38
ﮫﮬ
ﮭ
Tot de geneugten der makkers van de rechterhand.
Verse 39
ﮮﮯﮰ
ﮱ
Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.
Verse 40
ﯓﯔﯕ
ﯖ
En velen van den lateren zijn.
Verse 41
ﯗﯘﯙﯚﯛ
ﯜ
En de makkers van de linkerhand (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn).
Verse 42
ﯝﯞﯟ
ﯠ
Zullen wonen te midden van brandende, verpestende winden en kokend water.
Verse 43
ﯡﯢﯣ
ﯤ
Onder de schaduw van zwarten rook.
Verse 44
ﯥﯦﯧﯨ
ﯩ
Die noch koel, noch aangenaam zal wezen.
Verse 45
ﯪﯫﯬﯭﯮ
ﯯ
Want zij genoten de genoegens van het leven, vóór dit, terwijl zij op de aarde waren.
Verse 46
ﯰﯱﯲﯳﯴ
ﯵ
En zij volhardden stijfhoofdig in eene hatelijke zondigheid.
Verse 47
En zij zeiden: Nadat wij zullen gestorven, en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zekerlijk tot het leven worden opgewekt?
Verse 48
ﰀﰁ
ﰂ
Zullen onze vaderen ook met ons worden opgewekt?
Verse 49
ﰃﰄﰅﰆ
ﰇ
Zeg: waarlijk, zoowel de vroegeren als de lateren.
Verse 50
ﰈﰉﰊﰋﰌ
ﰍ
Zullen zekerlijk op den vooraf bepaalden tijd van een bekenden dag worden bijeen verzameld, om geoordeeld te worden.
Verse 51
ﭑﭒﭓﭔﭕ
ﭖ
En gij, o menschen! die gedwaald, en de opstanding als eene valschheid geloochend hebt.
Verse 52
ﭗﭘﭙﭚﭛ
ﭜ
Gij zult zekerlijk eten van de vrucht des booms van al Zakkoem.
Verse 53
ﭝﭞﭟ
ﭠ
Gij zult uwen buik daarmede vullen.
Verse 54
ﭡﭢﭣﭤ
ﭥ
En gij zult daar kokend water drinken.
Verse 55
ﭦﭧﭨ
ﭩ
Gij zult drinken, zooals een dorstige kameel drinkt.
Verse 56
ﭪﭫﭬﭭ
ﭮ
Dit zal hunne uitspanning op den dag des oordeels zijn.
Verse 57
ﭯﭰﭱﭲ
ﭳ
Wij hebben u geschapen; wilt gij dus niet gelooven, dat wij u van den dood kunnen opwekken? Wat denkt gij?
Verse 58
ﭴﭵﭶ
ﭷ
Het zaad dat gij uitwerpt.
Verse 59
ﭸﭹﭺﭻﭼ
ﭽ
Schept gij dat, of zijn wij er de schepper van?
Verse 60
Wij hebben voor u allen den dood bepaald, en wij zullen daarin door niemand worden belet.
Verse 61
Wij zijn in staat anderen, gelijk gij in uw plaats te stellen, en u terug te brengen in den toestand of den vorm, dien gij niet kent.
Verse 62
ﮐﮑﮒﮓﮔﮕ
ﮖ
Gij kent de schepping; wilt gij dus niet overwegen, dat wij u, door u op te wekken, weder kunnen voortbrengen?
Verse 63
ﮗﮘﮙ
ﮚ
Wat denkt gij? Het graan dat gij zaait.
Verse 64
ﮛﮜﮝﮞﮟ
ﮠ
Doet gij dat uitbotten, of doen wij dat voortspruiten?
Verse 65
ﮡﮢﮣﮤﮥﮦ
ﮧ
Indien het ons behaagde, waarlijk, wij konden het droog en onvruchtbaar maken, zoodat gij niet zoudt ophouden u te verwonderen, zeggende:
Verse 66
ﮨﮩ
ﮪ
Waarlijk, wij hebben verbintenissen aangegaan voor zaad en arbeid,
Verse 67
ﮫﮬﮭ
ﮮ
Maar het is ons niet geoorloofd, de vruchten daarvan te oogsten.
Verse 68
ﮯﮰﮱﯓ
ﯔ
Wat denkt gij? Het water dat gij drinkt.
Verse 69
Zendt gij dat uit de wolken neder, of zenden wij het?
Verse 70
ﯝﯞﯟﯠﯡﯢ
ﯣ
Indien het ons behaagde, zouden wij het brak kunnen maken. Zult gij dus niet dankbaar wezen?
Verse 71
ﯤﯥﯦﯧ
ﯨ
Wat denkt gij? Het vuur, dat gij door wrijving verkrijgt,
Verse 72
ﯩﯪﯫﯬﯭﯮ
ﯯ
Brengt gij den boom voort, waardoor gij dat doet ontstaan? Of brengen wij dien voort?
Verse 73
ﯰﯱﯲﯳﯴ
ﯵ
Wij hebben dit als eene vermaning bevolen en tot een voordeel voor hen, die door de woestijnen reizen.
Verse 74
ﯶﯷﯸﯹ
ﯺ
Prijst dus den naam van uwen Heer, den grooten God.
Verse 75
ﯻﯼﯽﯾﯿ
ﰀ
Ik zweer echter, bij het ondergaan der sterren.
Verse 76
ﰁﰂﰃﰄﰅ
ﰆ
(En waarlijk, dit is een groote eed, indien gij het slechts wist!)
Verse 77
ﭑﭒﭓ
ﭔ
Dat dit de uitmuntende Koran is.
Verse 78
ﭕﭖﭗ
ﭘ
Waarvan het oorspronkelijke in het welbewaarde boek is geschreven.
Verse 79
ﭙﭚﭛﭜ
ﭝ
Niemand zal het aanraken, behalve zij, die rein zijn.
Verse 80
ﭞﭟﭠﭡ
ﭢ
Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.
Verse 81
ﭣﭤﭥﭦ
ﭧ
Zult gij dus deze nieuwe openbaring verachten?
Verse 82
ﭨﭩﭪﭫ
ﭬ
En is dit uwe vergelding voor uw voedsel, hetwelk gij van God ontvangt, dat gij u zelven loochent, hem daarvoor verplicht te zijn?
Verse 83
ﭭﭮﭯﭰ
ﭱ
Als de ziel van een stervend mensch tot zijne keel opstijgt.
Verse 84
ﭲﭳﭴ
ﭵ
En gij op hetzelfde oogenblik rond ziet.
Verse 85
(En wij zijn hem nader dan gij; maar gij ziet zijn waren toestand niet).
Verse 86
ﭾﭿﮀﮁﮂ
ﮃ
Zoudt gij dan niet, indien gij hier namaals niet voor uwe daden werdt vergolden.
Verse 87
ﮄﮅﮆﮇ
ﮈ
Die in het lichaam doen terugkeeren, indien gij de waarheid spreekt?
Verse 88
ﮉﮊﮋﮌﮍ
ﮎ
En voor hem die tot degenen behoort, welke God zullen naderen.
Verse 89
ﮏﮐﮑﮒ
ﮓ
Zal de belooning zijn, rust, genade en een tuin van vermaak.
Verse 90
ﮔﮕﮖﮗﮘﮙ
ﮚ
En behoort hij tot de makkers der rechterhand.
Verse 91
ﮛﮜﮝﮞﮟ
ﮠ
Dan zal hij gegroet worden met de begroeting: Vrede zij over u! door de makkers der rechterhand, zijne broeders.
Verse 92
ﮡﮢﮣﮤﮥﮦ
ﮧ
Of, indien hij tot hen behoort, die het ware geloof (den profeet) verworpen hebben. En afgedwaald zijn.
Verse 93
ﮨﮩﮪ
ﮫ
Zijn voedsel zal kokend water wezen.
Verse 94
ﮬﮭ
ﮮ
En de verbranding door het hellevuur.
Verse 95
ﮯﮰﮱﯓﯔ
ﯕ
Waarlijk, dit is een zekere waarheid.
Verse 96
ﯖﯗﯘﯙ
ﯚ
Daarom prijst den naam van uwen Heer, den grooten God.
تقدم القراءة