ترجمة معاني سورة طه باللغة فلمكني (هولندية) من كتاب Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
ﰡ
آية رقم 1
ﭵ
ﭶ
T. H.
آية رقم 2
ﭷﭸﭹﭺﭻ
ﭼ
Wij hebben u den Koran niet nedergezonden om u ongelukkig te maken.
آية رقم 3
ﭽﭾﭿﮀ
ﮁ
Maar als eene waarschuwing voor hem die God vreest.
آية رقم 4
ﮂﮃﮄﮅﮆﮇ
ﮈ
Zijnde nedergezonden door hem, die de aarde schiep en de verheven hemelen.
آية رقم 5
ﮉﮊﮋﮌ
ﮍ
De Barmhartige zit op zijn troon.
آية رقم 6
Aan hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde, en alles wat daar tusschen, en wat zich onder de aarde bevindt.
آية رقم 7
Indien gij uwe gebeden met luide stem uitspreekt, weet dat dit voor God niet noodig is; want hij weet wat in het geheim wordt gezegd en wat nog meer verborgen is.
آية رقم 8
God! er is geen God buiten hem; hij heeft de meest uitmuntende namen.
آية رقم 9
ﮭﮮﮯﮰ
ﮱ
Zijt gij onderricht geworden nopens de geschiedenis van Mozes?
آية رقم 10
Toen hij vuur zag, zeide hij tot zijn gezin: Blijf hier; want ik bemerk vuur. Misschien kan ik u een brandend stuk hout daarvan medebrengen, of zal ik de richting van onzen weg door het vuur vinden.
آية رقم 11
ﯦﯧﯨﯩ
ﯪ
En toen hij naderbij gekomen was, riep hem eene stem toe zeggende: O Mozes!
آية رقم 12
Waarlijk, ik ben uw Heer; leg ons uwe schoenen af; want gij zijt in de heilige vallei Towa.
آية رقم 13
ﭑﭒﭓﭔﭕ
ﭖ
En ik heb u gekozen; luister dus aandachtig naar hetgeen u is geopenbaard.
آية رقم 14
Waarlijk, ik ben God; er is geen God buiten mij: aanbid mij dus en doe uw gebed ter mijner herinnering.
آية رقم 15
Waarlijk, het uur komt; ik zal het gewis duidelijk verkondigen. Opdat iedere ziel hare vergelding moge ontvangen voor hetgeen zij met overleg heeft gedaan.
آية رقم 16
Laat hij, die niet daarin gelooft en die zijne lusten volgt, u niet er van afhouden, daaraan te gelooven, opdat gij niet verdoemd wordet.
آية رقم 17
ﭹﭺﭻﭼ
ﭽ
Wat hebt gij in uwe rechterhand, Mozes?
آية رقم 18
Hij antwoordde; Het is mijn staf, waarop ik leun, en waarmede ik bladeren voor mijne kudde afbreek, en welken ik ook voor andere doeleinden bezig.
آية رقم 19
ﮌﮍﮎ
ﮏ
God zeide tot hem: Werp dien weg; o Mozes!
آية رقم 20
ﮐﮑﮒﮓﮔ
ﮕ
En hij wierp dien weg en zie hij werd eene slang, die voortliep.
آية رقم 21
God zeide: Vat haar aan en vrees niet; wij zullen haar tot haren vorigen toestand terugbrengen.
آية رقم 22
En leg uwe rechterhand onder uwen linkerarm en zij zal wit worden, zonder eenig nadeel. Dit zal een ander teeken wezen.
آية رقم 23
ﮫﮬﮭﮮ
ﮯ
Opdat wij u eenige onzer grootste teekenen zullen doen zien.
آية رقم 24
ﮰﮱﯓﯔﯕ
ﯖ
Ga tot Pharao; want hij is zeer goddeloos.
آية رقم 25
ﯗﯘﯙﯚﯛ
ﯜ
Mozes antwoordde: Heer! verwijd mijne borst.
آية رقم 26
ﯝﯞﯟ
ﯠ
En maak mij gemakkelijk wat gij mij hebt bevolen.
آية رقم 27
ﯡﯢﯣﯤ
ﯥ
En ontbindt den knoop van mijne tong.
آية رقم 28
ﯦﯧ
ﯨ
Opdat zij mijne woorden kunnen verstaan.
آية رقم 29
ﯩﯪﯫﯬﯭ
ﯮ
Geef mij een raadgever uit mijn gezin.
آية رقم 30
ﯯﯰ
ﯱ
Namelijk Aäron, mijn broeder.
آية رقم 31
ﯲﯳﯴ
ﯵ
Omgord mijne lendenen met hem.
آية رقم 32
ﯶﯷﯸ
ﯹ
En maak hem tot mijn makker in de zaak.
آية رقم 33
ﯺﯻﯼ
ﯽ
Opdat wij u dankbaar loven
آية رقم 34
ﯾﯿ
ﰀ
En u dikwijls herdenken mogen.
آية رقم 35
ﰁﰂﰃﰄ
ﰅ
Want gij ziet ons.
آية رقم 36
ﰆﰇﰈﰉﰊ
ﰋ
God antwoordde: Nu is aan uw verzoek voldaan, o Mozes!
آية رقم 37
ﰌﰍﰎﰏﰐ
ﰑ
En wij zijn vroeger genadig omtrent u geweest.
آية رقم 38
ﭑﭒﭓﭔﭕﭖ
ﭗ
Toen wij uwe moeder openbaarden wat haar geboodschapt werd, zeggende:
آية رقم 39
Leg uwen zoon in eene kist en werp hem in zee, en de rivier zal hem op het strand werpen, en mijn vijand en zijn vijand zal hem opnemen en opvoeden. En ik schonk u van mijne liefde, opdat gij onder mijne oogen zoudt opgevoed worden.
آية رقم 40
Toen uwe zuster heen ging en zeide: Zal ik u tot iemand brengen, die het kind wil zogen? Toen brachten wij u tot uwe moeder terug, opdat zij gerustgesteld worden en niet bedroefd zijn zou. Gij dooddet eene ziel en wij redden u van het ongeluk; en wij beproefden u met verschillende proeven. En later woondet gij eenige jaren onder de inwoners van Madian. Daarop kwaamt gij herwaarts, overeenkomstig ons besluit, o Mozes!
آية رقم 41
ﮖﮗ
ﮘ
En ik heb u voor mij zelven gekozen;
آية رقم 42
Gaat dus, gij en uw broeder, met mijne teekenen en wees niet achteloos in mijne herdenking.
آية رقم 43
ﮢﮣﮤﮥﮦ
ﮧ
Gaat tot Pharao; want hij is zeer goddeloos.
آية رقم 44
En spreekt bedaard tot hem; misschien zal hij nadenken, of onze bedreigingen vreezen.
آية رقم 45
Zij antwoordden: O Heer! waarlijk, wij vreezen dat hij zeer gewelddadig omtrent ons zal handelen, of dat hij nog buitensporiger zal zondigen.
آية رقم 46
God hernam: Vreest niet; want ik ben met u. Ik zal hooren en zien.
آية رقم 47
Gaat dus tot hem en zegt: Waarlijk wij zijn de gezanten van uwen Heer; zendt dus de kinderen Israëls met ons en mishandel hen niet. Wij zijn met een teeken van uwen Heer tot u gekomen; en vrede zij op hem, die de ware richting zal volgen.
آية رقم 48
Waarlijk, het is ons reeds geopenbaard, dat hem eene straf zal worden opgelegd, die ons van bedrog beschuldigen en zich afwenden zal.
آية رقم 49
ﰉﰊﰋﰌ
ﰍ
En toen zij hunne zending hadden medegedeeld, zeide Pharao: Wie is uw Heer o Mozes?
آية رقم 50
Hij antwoordde: Hij geeft alle dingen; hij heeft die geschapen, en leidt door zijne voorzienigheid.
آية رقم 51
ﰘﰙﰚﰛﰜ
ﰝ
Pharao zeide: Wat was dan de bedoeling der vroegere geslachten?
آية رقم 52
Mozes antwoordde: De kennis daarvan is bij mijn Heer. In het boek zijner besluiten; mijn Heer dwaalt noch vergeet.
آية رقم 53
Hij is het, die de aarde als een bed voor u heeft uitgespreid, en daarop paden voor u heeft gemaakt; hij is het, die den regen van den hemel nederzendt, waardoor wij verschillende soorten van planten doen voortspruiten.
آية رقم 54
Zeggende: Eet van een gedeelte en voedt uw vee met het andere deel daarvan. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen, die met begrip zijn begaafd.
آية رقم 55
Wij hebben u uit aarde geschapen en tot haar zullen wij u doen terugkeeren, en wij zullen u ten tweede male daaruit doen voortkomen.
آية رقم 56
ﮇﮈﮉﮊﮋﮌ
ﮍ
En wij toonden Pharao al onze teekenen, welke wij Mozes gemachtigd hadden uit te voeren, doch hij verklaarde die tot logens en weigerde te gelooven.
آية رقم 57
En hij zeide: Zijt gij tot ons gekomen, opdat gij ons door uwe toovenarijen het bezit van ons land zoudt kunnen ontrooven, o Mozes?
آية رقم 58
Waarlijk, wij zullen u dezelfde toovenarij doen zien; bepaal dus eene samenkomst tusschen ons en u; wij zullen er niet ontbreken en ook gij niet, op eene gelijke plaats.
آية رقم 59
Mozes antwoordde: Laat onze ontmoeting zijn op den dag van uw plechtig feest, en laat het volk zich op den vollen dag verzamelen.
آية رقم 60
ﮮﮯﮰﮱﯓﯔ
ﯕ
En Pharao ging van Mozes weg en verzamelde de behendigste toovenaars bij elkander om zijne list uit te voeren, en kwam daarna op de bepaalde samenkomst.
آية رقم 61
Mozes zeide tot hem: Wee kome over u! verzin geene leugen tegen God. Hij zou u door zijn oordeel geheel verdelgen; want hij die leugens uitdenkt, zal niet gelukkig zijn.
آية رقم 62
ﯧﯨﯩﯪﯫ
ﯬ
En de toovenaars twistten onder elkander nopens hunne zaak en spraken met elkander in het geheim.
آية رقم 63
En zij zeiden: Deze twee zijn zekerlijk toovenaars; zij trachten u, door hunne toovenarij, het bezit van uw land te rooven, en uwe voornaamste en aanzienlijkste lieden weg te voeren.
آية رقم 64
Verzamel dus al uwe kunstmiddelen en schaar u daarna in orde; want hij die heden de bovenhand behoudt, zal gelukkig zijn.
آية رقم 65
Zij zeiden: O Mozes! wilt gij uwen staf het eerste wegwerpen, of zullen wij de eersten zijn die onze staven wegwerpen?
آية رقم 66
Hij antwoordde: Werpt gij uwe staven het eerste weg. En zie, hunne koorden en hunne staven schenen hem toe, door hunne tooverij als slangen te loopen.
آية رقم 67
ﭫﭬﭭﭮﭯ
ﭰ
Daarom koesterde Mozes vrees in zijn hart.
آية رقم 68
ﭱﭲﭳﭴﭵﭶ
ﭷ
Maar wij zeiden tot hem: Vrees niet; want gij zult de bovenhand behouden.
آية رقم 69
Werp dus den staf weg, die zich in uwe rechterhand bevindt, en hij zal de schijnbare slangen verslinden welke zij gemaakt hebben; want hetgeen zij gemaakt hebben is slechts de kunstgreep van een toovenaar, en een toovenaar zal niet gelukkig zijn van waar hij ook moge komen.
آية رقم 70
En de toovenaars vielen neder toen zij het wonder zagen, dat door Mozes was uitgevoerd, en zij aanbaden, zeggende: Wij gelooven in den Heer van Aäron en van Mozes!
آية رقم 71
Pharao zeide tot hen: Gelooft gij in hem, alvorens ik u verlof geef? Waarlijk, hij is uw meester, die u in de toovenarij heeft onderricht. Maar ik zal zekerlijk uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijde afsnijden, en ik zal u kruisigen aan stammen van palmboomen, en gij zult weten, wie van ons gestrenger in het straffen is, en uwe smarten langer kan doen aanhouden.
آية رقم 72
Wij zullen nimmer meer eerbied voor u hebben, zeiden zij, dan voor deze duidelijke wonderen, die ons getoond zijn, of ook voor hem die ons heeft geschapen. Spreek dus de straf over ons uit, welke gij op het punt staat uit te spreken; want gij kunt alleen in dit leven straffen.
آية رقم 73
Waarlijk, wij gelooven in onzen Heer, opdat hij ons onze zonden moge vergeven en de toovenarij, welke gij ons hebt gedwongen uit te oefenen; maar God kan beter beloonen en is meer dan gij in staat, de straf te verlengen.
آية رقم 74
Waarlijk, al wie op den dag des oordeels voor zijn Heer zal verschijnen met misdaden belast, zal de hel tot belooning hebben; hij zal daarin noch sterven, noch leven.
آية رقم 75
Wie een waar geloovige was en rechtvaardigheid zal hebben uitgeoefend, voor dezen zijn de graden van het grootste geluk bereid.
آية رقم 76
Namelijk tuinen van eeuwig verblijf, die door rivieren zullen besproeid worden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven, en dit zal de belooning zijn voor hem, die zuiver zal wezen.
آية رقم 77
En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Vertrek met mijne dienaren des nachts uit Egypte en sla de wateren met uwen staf, en maak hun een droog pad door de zee. Vrees niet dat Pharao U zal overvallen, en wees niet bang.
آية رقم 78
En toen Mozes aldus had gehandeld, vervolgde Pharao hem met zijne strijdmachten, en de wateren der zee overdekten hen.
آية رقم 79
ﭭﭮﭯﭰﭱ
ﭲ
En Pharao deed zijn volk dwalen en hij leidde hen niet op den rechten weg.
آية رقم 80
Aldus, o kinderen Israëls! bevrijdden wij u van uwen vijand, en wij wezen u de rechterzijde van den berg Sinaï aan, om Mozes te spreken en hem de wet te geven, en wij deden manna en kwakkels op u nederdalen, zeggende:
آية رقم 81
Eet van de goede dingen, welke wij u tot voedsel hebben gegeven, en zondig daarin niet, opdat mijne verontwaardiging niet opgewekt worde; want hij over wien mijn toorn zal komen, zal verloren zijn.
آية رقم 82
Maar ik zal barmhartig zijn omtrent hem, die berouw gevoelen en gelooven zal, en doet wat goed is, en die op den rechten weg zal volgen.
آية رقم 83
ﮟﮠﮡﮢﮣﮤ
ﮥ
Wat heeft u, o Mozes! uw volk doen verlaten om de wet te ontvangen?
آية رقم 84
Hij antwoordde: Zij volgen mijne voetstappen, en ik heb mij gehaast tot u te gaan, opdat ik u aangenaam zou mogen wezen.
آية رقم 85
God zeide: Wij hebben uw volk sedert uw vertrek reeds beproefd, en Al Sameri heeft hen tot afgoderij verleid.
آية رقم 86
Daarom keerde Mozes vertoornd en zeer bedroefd tot zijn volk terug. En hij zeide: O mijn volk! heeft uw Heer u niet de uitmuntendste belofte gedaan? Scheen de tijd van mijne afwezigheid u te lang toe? Of begeerdet gij dat de verontwaardiging van uwen Heer over u zou komen, en hebt gij daarom de belofte niet gehouden, welke gij mij gaaft?
آية رقم 87
Zij antwoordden: Wij hebben niet geschonden hetgeen wij u uit eigen beweging beloofden: maar men beval ons, verscheiden lasten goud en zilver van de versierselen des volks aan te dragen, en wij wierpen die in het vuur,
آية رقم 88
En evenzoo wierp Al Sameri er in, hetgeen hij had verzameld, en hij bracht er een lichamelijk kalf uit voort, dat loeide. En Al Sameri en zijne makkers zeiden: Dit is uw God en de God van Mozes; doch hij had hem vergeten en is weggegaan om een ander te zoeken.
آية رقم 89
Zagen zij dus niet, dat hun afgod hun geen antwoord gaf en niet in staat was hen te benadeelen of voordeel te doen?
آية رقم 90
En Aäron had vroeger wel tot hen gezegd: O mijn volk! door dit kalf wordt gij slechts beproefd; want uw Heer is barmhartig: volgt mij dus en gehoorzaamt mijn bevel.
آية رقم 91
Zij antwoorden: Wij zullen nimmer ophouden het kalf te aanbidden, tot dat Mozes bij ons terugkeert.
آية رقم 92
En toen Mozes was teruggekeerd, zeide hij: O Aäron! wat verhinderde u mij te volgen, toen gij zaagt dat zij zich afwendden?
آية رقم 93
ﮏﮐﮑﮒﮓ
ﮔ
Zijt gij ongehoorzaam aan mijn bevel geweest?
آية رقم 94
Aäron antwoordde: O zoon mijner moeder! trek mij niet bij mijn baard, of bij het haar van mijn hoofd. Waarlijk, ik vreesde dat gij mij zoudt zeggen: Gij hebt eene scheiding tusschen de kinderen Israëls gemaakt, en gij hebt mijne woorden niet in acht genomen.
آية رقم 95
ﮩﮪﮫﮬ
ﮭ
Mozes zeide tot Al Sameri: Wat was uw voornemen, o Sameri?
آية رقم 96
Hij antwoordde: Ik zag wat zij niet zagen; daarom nam ik eene handvol stof van de voetstappen van Gods gezant en wierp het in het gesmolten kalf; want mijn gemoed bracht mij daartoe.
آية رقم 97
Mozes zeide: Verwijder u; uwe straf in dit leven zal zijn, dat gij hen welke gij ontmoet, zult zeggen: Raak mij niet aan! en gij zijt met vreeselijker pijnen in het volgende leven bedreigd, welke gij nimmer zult ontkomen. Werp thans uw oog op uwen god, dien gij met zooveel onderwerping hebt aangebeden; waarlijk wij zullen dien verbranden, tot stof verkeeren en in de zee werpen.
آية رقم 98
Uw God is de ware God, buiten wien geen andere God bestaat; hij bevat alle dingen door zijne wijsheid.
آية رقم 99
Zoo geven wij u, o Mahomet! het verhaal, van hetgeen vroeger is geschied, en wij hebben u eene vermaning van ons gegeven.
آية رقم 100
Hij die zich daarvan afwendt, zal zekerlijk eenen last van schuld op den dag der opstanding torschen.
آية رقم 101
Hij zal dien eeuwig dragen; en een ondragelijke last zal het op den dag der opstanding zijn.
آية رقم 102
Op dien dag zal de trompet klinken, en wij zullen de zondaren op dien dag verzamelen die dan grijze oogen zullen hebben.
آية رقم 103
ﭼﭽﭾﭿﮀﮁ
ﮂ
Zij zullen met eene zachte stem tot elkander spreken, zeggende: Gij zijt er niet langer dan tien dagen gebleven.
آية رقم 104
Wij weten wel dat hunne opperhoofden willen zeggen, als zij zullen antwoorden: Gij zijt niet langer dan een dag gebleven.
آية رقم 105
Zij zullen u ondervragen, nopens de bergen; antwoord: Mijn Heer zal die tot stof verkeeren en verspreiden.
آية رقم 106
ﮘﮙﮚ
ﮛ
Hij zal die in eene effen vallei veranderen;
آية رقم 107
ﮜﮝﮞﮟﮠﮡ
ﮢ
Gij zult geen deel daarvan hooger of lager dan het ander zien.
آية رقم 108
Op dien dag zal de mensch den engel volgen, die hem tot het oordeel zal oproepen, niemand zal de macht hebben zich van deze af te wenden en hunne stemmen zullen zacht klinken voor den Barmhartige; ook zult gij niets anders hooren dan den doffen klank van hunnen voet.
آية رقم 109
Op dien dag zal de tusschenkomst van niemand voor den ander voordeelig zijn, behalve van hem, aan wien de Barmhartige verlof zal gegeven hebben en die de bekentenis van het ware geloof zal hebben uitgesproken.
آية رقم 110
God kent wat vóór hen en wat achter hen is, maar ze begrijpen dat niet.
آية رقم 111
Hunne gezichten zullen voor den levenden en den onveranderlijken God vernederd worden. En hij die zijne onrechtvaardigheid draagt, zal ongelukkig worden.
آية رقم 112
Maar hij die goede werken doet en een waar geloovige is, zal geene onrechtvaardigheid of geene vermindering vreezen van zijne belooning door God.
آية رقم 113
En zoo hebben wij dit boek nedergezonden, zijnde een Koran in de Arabische taal, en wij hebben daarin verschillende bedreigingen en beloften opgenomen, ten einde de menschen God zouden vreezen, en opdat dit eenige overpeinzing in hen zou opwekken.
آية رقم 114
Hoogverheven zij dus God, de Koning, de Waarheid! Wees niet haastig in het ontvangen of overbrengen van den Koran, alvorens u die geheel geopenbaard zij, en zeg: Heer! vermeerder mijn verstand.
آية رقم 115
Wij gaven vroeger een bevel aan Adam; maar hij vergat het en at van de verboden vrucht, en wij vonden geen vast besluit in hem.
آية رقم 116
En gedenk toen wij tot de engelen zeiden: Aanbidt Adam, en zij baden hem aan, maar Eblis weigerde.
آية رقم 117
En wij zeiden: O Adam! dit is een vijand van u en uwe vrouw, neem u dus in acht, opdat hij u niet uit het paradijs verwijdere; want dan zoudt gij ellendig zijn.
آية رقم 118
Waarlijk wij hebben een voorraad voor u verzameld, opdat gij daarin niet van honger zoudt omkomen, of naakt zoudt zijn.
آية رقم 119
ﮐﮑﮒﮓﮔﮕ
ﮖ
Ook zult gij daarin niet van dorst sterven, noch door hitte lastig gevallen worden.
آية رقم 120
Maar Satan blies hem slechte ingevingen in, zeggende: O Adam! zal ik u naar den boom der eeuwigheid brengen en naar eene macht die nimmer eindigt?
آية رقم 121
Zij aten beiden daarvan, zagen hunne naaktheid, en naaiden bladeren van het paradijs bij elkander om zich te bedekken. En zoo werd Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en werd verleid.
آية رقم 122
ﯗﯘﯙﯚﯛﯜ
ﯝ
Later nam de Heer zijn berouw aan, en hij wendde zich tot hem en leidde hem.
آية رقم 123
En God zeide: Gaat allen heen; gij zult elkanders vijanden zijn. Maar later zal eene leiding van mij tot u komen. En wie mijne leiding volgt zal niet dwalen, en hij zal niet ongelukkig zijn.
آية رقم 124
Maar wie zich van mijne vermaning afwendt zal waarlijk een ellendig leven leiden. En wij zullen hem blind voor ons doen verschijnen op den dag der opstanding.
آية رقم 125
En hij zal zeggen: O Heer! waarom hebt gij mij blind voor u gebracht, terwijl ik vroeger helder zag?
آية رقم 126
God zal antwoorden: Wij hebben aldus gehandeld, omdat onze teekens tot u zijn gekomen en gij die vergat, en evenzoo zult gij op dezen dag worden vergeten.
آية رقم 127
En zoo zullen wij hem vergelden, die achteloos is en niet in de teekens van zijn Heer gelooven zal; en de straf van het volgende leven zal strenger en drukkender zijn dan de straf van dit leven.
آية رقم 128
Is het den bewoners van Mekka niet bekend, hoeveel geslachten wij vóór hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen zij wandelen? Waarlijk, hierin zijn teekenen gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd.
آية رقم 129
En indien te voren niet een besluit van uwen Heer tot hun uitstel ware uitgegaan, zou hunne verdelging noodzakelijk zijn gevolgd; maar er is een zekere tijd door God voor hunne straf vastgesteld.
آية رقم 130
Daarom, o Mahomet! verdraag met geduld wat zij zeggen en verhef den lof van uwen Heer voor het opgaan der zon en voor haren ondergang, en loof hem in de uren des nachts en op de uiteinden van den dag, opdat gij waardig moogt zijn Gods gunst te ontvangen.
آية رقم 131
En werp uwe oogen niet op datgene wat wij aan verschillende ongeloovigen hebben verleend, om zich er in te verheugen: namelijk den glans van dit leven, om hen daardoor te beproeven; want het deel van uwen Heer is beter en van langeren duur.
آية رقم 132
Beveel uw gezin het gebed in acht te nemen, en gij, volhard er in. Wij verlangen niet van u, dat gij zult arbeiden om voedsel voor ons te verwerven; wij zullen u voorzien; want voor de vroomheid is eene goede belooning weggelegd.
آية رقم 133
De ongeloovigen zeggen: Zoo lang hij niet met een teeken van zijn Heer tot ons zal komen, zullen wij niet in hem gelooven. Is er door de openbaring van den Koran niet eene duidelijke verklaring tot hen gekomen van hetgeen in de vroegere deelen van de schrift is bevat?
آية رقم 134
Indien wij hen door een oordeel hadden verdelgd, vóór de Koran werd geopenbaard zouden zij bij de opstanding hebben gezegd: O Heer! hoe konden wij gelooven, naardien gij ons geen gezant hebt gezonden, om uwe teekenen te doen volgen, alvorens wij vernederd en met schande bedekt werden?
آية رقم 135
Zeg: Ieder onzer wacht de uitkomst; wacht dus; want gij zult zekerlijk hierna weten, wie den rechten weg hebben gevolgd, en welke op den rechten weg zijn geleid.
تقدم القراءة