ترجمة معاني سورة المؤمنون باللغة فلمكني (هولندية) من كتاب Salomo Keyzer - Flemish (Dutch) translation
ﰡ
آية رقم 1
ﭑﭒﭓ
ﭔ
Gelukkig zijn de ware geloovigen.
آية رقم 2
ﭕﭖﭗﭘﭙ
ﭚ
Die zich verootmoedigen in hun gebed.
آية رقم 3
ﭛﭜﭝﭞﭟ
ﭠ
Die alle ijdele gesprekken vermijden.
آية رقم 4
ﭡﭢﭣﭤ
ﭥ
En die aalmoezen geven;
آية رقم 5
ﭦﭧﭨﭩ
ﭪ
Die hunne vleeschelijke lusten weten te beheerschen.
آية رقم 6
En die hunne genietingen bepalen tot hunne vrouwen, of de slaven welke door hunne rechterhand worden bezeten; want dan zullen zij zonder blaam zijn.
آية رقم 7
Maar zij die gemeenschap met andere vrouwen hebben, deze zijn waarlijk zondaren.
آية رقم 8
ﭾﭿﮀﮁﮂ
ﮃ
En zij die rechtschapen het hun toevertrouwde bewaren en hun verbond rechtvaardig uitvoeren.
آية رقم 9
ﮄﮅﮆﮇﮈ
ﮉ
En die den tijd, voor het gebed bepaald, in acht nemen.
آية رقم 10
ﮊﮋﮌ
ﮍ
Deze zullen de erfgenamen zijn.
آية رقم 11
ﮎﮏﮐﮑﮒﮓ
ﮔ
Die het paradijs zullen erven: eeuwig zullen zij daarin verblijven.
آية رقم 12
Wij schiepen den mensch van eene fijne soort klei.
آية رقم 13
ﮝﮞﮟﮠﮡﮢ
ﮣ
Daarna plaatsten wij hem als zaad in eene veilige bewaarplaats.
آية رقم 14
Daarna vormden wij het zaad tot gestold bloed, en wij maakten het gestolde bloed tot een stuk vleesch; vervolgens vormden wij het stuk vleesch tot beenderen; wij bekleedden deze beenderen met vleesch, en brachten het daarna als eene nieuwe schepping voort. Geloofd zij dus God, de uitmuntendste schepper.
آية رقم 15
ﯜﯝﯞﯟﯠ
ﯡ
Hierna zult gij sterven.
آية رقم 16
ﯢﯣﯤﯥﯦ
ﯧ
En daarna zult gij, op den dag der opstanding, in het leven teruggeroepen worden.
آية رقم 17
Wij hebben zeven hemelen boven u geschapen, en wij zijn niet achteloos omtrent hetgeen wij schiepen.
آية رقم 18
Wij zenden den regen in zekere hoeveelheid van den hemel neder, en wij doen dien op de aarde blijven; wij zijn zekerlijk ook in staat u daarvan te berooven.
آية رقم 19
En wij doen door dezen regen tuinen van palmboomen en wijngaarden voor u ontspruiten, waarin gij vele vruchten bezit en waarvan gij eet.
آية رقم 20
En wij deden voor u ook den boom oprijzen, die op den berg Sinaï ontsproot; die olie voorbrengt en een sap dat goed is voor hen die het eten.
آية رقم 21
Gij bezit eveneens eene onderrichting in het vee; wij geven u te drinken van de melk die zich in hunnen buik bevindt, gij trekt daaruit vele voordeelen en gij eet er van.
آية رقم 22
ﮉﮊﮋﮌ
ﮍ
En op hen en op schepen wordt gij vervoerd.
آية رقم 23
Wij zonden Noach vroeger tot zijn volk en hij zeide: O mijn volk! dient God: gij hebt geen God buiten hem; vreest gij dus niet voor de gevolgen, indien gij andere goden aanbidt?
آية رقم 24
En de opperhoofden van zijn volk dat niet geloofde, zeiden: Deze is slechts een mensch gelijk gij zijt; hij tracht alleen zich eene oppermacht over u aan te matigen. Indien het Gode had behaagd, u een profeet te zenden, zou hij zekerlijk engelen hebben gezonden; wij hebben dit niet van onze voorouders gehoord.
آية رقم 25
Waarlijk, hij is slechts een man, die door den duivel is bezeten; wacht dus gedurende eenigen tijd nopens hem.
آية رقم 26
ﯧﯨﯩﯪﯫ
ﯬ
Noach zeide: O Heer! help mij; zij beschuldigen mij van logen.
آية رقم 27
En wij openbaarden hem onze bevelen: zeggende: Maak de ark voor ons gezicht en overeenkomstig onze openbaring. En als ons besluit tot uitvoering zal komen en de oven water koken en uitwerpen zal. Breng er dan van elke diersoort een paar in, en ook uw gezin; behalve degene over wien een vonnis van vernietiging werd uitgesproken, en spreek niet tot mij ten behoeve van hen die onrechtvaardig waren; want zij zullen verdronken worden.
آية رقم 28
En wanneer gij en zij die met ons zullen wezen, tot de ark zullen ingaan, zeg dan: Geloofd zij God, die ons van de goddeloozen heeft verlost!
آية رقم 29
En zeg: O Heer! doe mij uit deze ark op eene door u gezegende plaats komen; want gij zijt het best in staat, mij ongedeerd daaruit te brengen.
آية رقم 30
Waarlijk, hierin lagen teekens onzer almacht, en wij beproefden de menschen daardoor.
آية رقم 31
ﭲﭳﭴﭵﭶﭷ
ﭸ
Daarop deden wij een ander geslacht na hen opstaan.
آية رقم 32
En wij zonden hun een apostel uit hen, die zeide: Aanbidt God; gij hebt geen God buiten hem: zoudt gij dus zijne wraak niet vreezen?
آية رقم 33
En de opperhoofden van zijn volk, dat niet geloofde, dat de ontmoeting des volgenden levens loochende, en aan hetwelk wij overvloed in dit leven schonken, zeiden: Dit is slechts een mensch zooals gij zijt: hij eet van hetgeen gij eet. En hij drinkt van hetgeen gij drinkt.
آية رقم 34
En indien gij een mensch gehoorzaamt, die met u gelijk staat, waarlijk, dan zijt gij verloren.
آية رقم 35
Dreigt hij u dat gij, nadat gij dood zijt, en tot stof en beenderen zijt geworden, levend uit uwe graven zult worden voortgebracht?
آية رقم 36
ﯖﯗﯘﯙﯚ
ﯛ
Weg, weg met hetgeen waardoor gij wordt bedreigd!
آية رقم 37
Er is geen ander leven buiten ons tegenwoordig leven; wij sterven en wij leven, en wij zullen niet weder worden opgewekt.
آية رقم 38
Hij is slechts een mensch, die eene leugen tegen God uitdenkt: doch wij zullen hem niet gelooven.
آية رقم 39
ﯴﯵﯶﯷﯸ
ﯹ
Hun profeet zeide: O Heer! verdedig mij, nu zij mij van bedrog beschuldigen.
آية رقم 40
ﯺﯻﯼﯽﯾ
ﯿ
God antwoordde: Na een korten tijd zullen zij zekerlijk hunne weerspannigheid berouwen.
آية رقم 41
Daarom werd hun, rechtvaardig, eene gestrenge straf opgelegd, en wij deden hen gelijken op het bezinksel, dat door den stroom wordt medegevoerd. Weg dus met de goddeloozen!
آية رقم 42
ﰊﰋﰌﰍﰎﰏ
ﰐ
Daarna deden wij andere geslachten na hen opstaan.
آية رقم 43
Geen volk zal voor zijn bepaalden tijd gestraft worden; ook zal die niet worden uitgesteld.
آية رقم 44
Daarna zonden wij onze profeten, den een na den ander. Zoo dikwijls onze profeet tot een volk kwam, beschuldigden zij hem van bedrog, en wij deden hen achtereenvolgens elkander in de verdelging opvolgen, en maakten hen slechts tot onderwerpen der overlevering. Weg dus met de ongeloovige volkeren!
آية رقم 45
Later zonden wij Mozes en Aäron, zijn broeder, met onze teekens en duidelijke macht.
آية رقم 46
Tot Pharao en zijne vorsten; maar zij weigerden trotsch in hem te gelooven; want het was een hoovaardig volk.
آية رقم 47
En zij zeiden: Zullen wij gelooven aan twee mannen, die ons gelijk zijn en wier volk onze slaven zijn?
آية رقم 48
ﮉﮊﮋﮌ
ﮍ
En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom behoorden zij tot hen die verdelgd werden.
آية رقم 49
ﮎﮏﮐﮑﮒﮓ
ﮔ
Wij gaven vroeger het boek der wet aan Mozes, opdat de kinderen Israëls daardoor geleid zouden worden.
آية رقم 50
En wij bestemden den zoon van Maria en zijne moeder tot een teeken, en wij bereidden een verblijf voor hen, op een verheven gedeelte der aarde, zijnde een plaats van vrede en zekerheid, en door stroomende bronnen bevochtigd.
آية رقم 51
O profeten! eet van de dingen die goed zijn; want ik weet wel wat gij doet.
آية رقم 52
Deze uw godsdienst is een godsdienst, en ik ben uw Heer; vreest mij dus.
آية رقم 53
Maar de menschen hebben den godsdienst in verschillende secten verdeeld; ieder gedeelte verheugt zich in hetgeen zij volgen.
آية رقم 54
ﯣﯤﯥﯦﯧ
ﯨ
Laat hen dus in hunne verwarring tot een zekeren tijd.
آية رقم 55
Denken zij dat wij hun een lang leven zullen schenken, en hun bezittingen en kinderen tot hun heil geven.
آية رقم 56
Dat wij ons zullen haasten, hun allerlei bezittingen te schenken.
آية رقم 57
Waarlijk, zij die in ontzag zijn uit vrees voor hunnen Heer.
آية رقم 58
ﰂﰃﰄﰅﰆ
ﰇ
En die gelooven in de teekens van hunnen Heer.
آية رقم 59
ﰈﰉﰊﰋﰌ
ﰍ
En die geene makkers aan hunnen Heer toeschrijven.
آية رقم 60
Die aalmoezen geven, en wier harten van vrees zijn doordrongen, omdat zij eens tot hunnen Heer moeten terugkeeren.
آية رقم 61
Deze spoeden zich naar het goede en zijn de eersten om het te ontvangen.
آية رقم 62
Wij willen geene ziel eenige moeielijkheid opleggen, behalve datgene waartoe zij in staat is. Bij ons is een boek dat de waarheid spreekt, en zij zullen niet onrechtvaardig worden behandeld.
آية رقم 63
Maar hunne harten zijn verzonken in achteloosheid nopens dezen godsdienst, en zij hebben werken, die verschillen van de door ons vermelde; maar zij gaan voort die uit te voeren.
آية رقم 64
Tot wij diegenen hunner, welke zich in groote bezittingen verheugen, met eene gestrenge straf kastijden; onthoudt het, daar zij dan luid om hulp zullen roepen.
آية رقم 65
Maar er zal worden geantwoord: Roept heden niet om hulp; want gij zult door ons niet ondersteund worden.
آية رقم 66
Mijne teekens werden u voorgelezen; maar gij hebt u afgewend.
آية رقم 67
ﮝﮞﮟﮠ
ﮡ
U trotschelijk verheffende, omdat gij den heiligen tempel bezit; des nachts samenspraken houdende en dwaas sprekende.
آية رقم 68
Beschouwen zij dus niet aandachtig wat tot hen is gesproken, terwijl eene openbaring tot hen is gekomen, die niet tot hunne voorvaderen kwam?
آية رقم 69
Of kennen zij hunnen apostel niet en verwerpen zij hem daarom.
آية رقم 70
Zullen zij zeggen dat hij een uitzinnige is? Neen! hij is met de waarheid tot hen gekomen; maar het grootste gedeelte hunner verwerpt de waarheid.
آية رقم 71
Indien de waarheid hunne begeerte zou hebben gevolgd, waarlijk dan zouden de hemelen en de aarde, en alles wat er in is, bedorven zijn geweest. Maar wij hebben hun eene vermaning gezonden, en zij wenden zich er van af.
آية رقم 72
Zult gij hun eene belooning vragen? De belooning van uwen Heer is beter; hij is de beste belooner van weldaden.
آية رقم 73
ﯿﰀﰁﰂﰃ
ﰄ
Gij noodigt hen gewis tot den rechten weg uit.
آية رقم 74
Maar zij die niet in het volgende leven gelooven, dwalen zekerlijk van dien weg af.
آية رقم 75
Indien wij deernis met hen gehad, en hen van het kwaad verlost hadden, dat over hen gekomen is, zouden zij zekerlijk stijfhoofdiger in hunne dwaling hebben volhard, in verwarring ronddwalende.
آية رقم 76
Wij kastijdden hen vroeger met een strijd, maar zij verootmoedigden zich voor hunnen Heer noch richtten hunne smeekingen tot hem.
آية رقم 77
Tot wij voor hen eene deur openden, waaruit eene gestrenge straf voortkwam, waarna zij tot wanhoop vervielen.
آية رقم 78
God is het die in u de zintuigen des gehoors en van het gezicht heeft geschapen, opdat gij onze oordeelen zoudt opmerken, en harten, opdat gij die met ernst zoudt beschouwen; maar hoe weinigen uwer zijn dankbaar!
آية رقم 79
Hij is het die u op aarde heeft voortgebracht, en voor hem zult gij vereenigd worden.
آية رقم 80
Hij is het die leven geeft en doodt, en hij is het van wien de wisseling van nacht en dag afhangt: begrijpt gij dit niet?
آية رقم 81
ﮔﮕﮖﮗﮘﮙ
ﮚ
Maar de geloovige bewoners van Mekka zeggen evenals hunne voorgangers zeiden.
آية رقم 82
Zij zeggen: Als wij dood zijn, en tot stof en beenderen zullen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk weder tot het leven worden opgewekt?
آية رقم 83
Wij zijn daarmede reeds bedreigd geworden, evenals vroeger onze vaderen; dit zijn slechts oude fabelen.
آية رقم 84
Vraag hun: aan wien behoort de aarde en alles wat daarop is? Spreekt, indien gij het weet.
آية رقم 85
ﯛﯜﯝﯞﯟﯠ
ﯡ
Zij zullen antwoorden: Aan God. Zeg: Wilt gij dit niet bedenken?
آية رقم 86
Zeg: Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer van den prachtigen troon?
آية رقم 87
ﯫﯬﯭﯮﯯﯰ
ﯱ
Zij zullen antwoorden: God. Zeg: Wilt gij hem dus niet vreezen?
آية رقم 88
Zeg: In wiens hand is het koninkrijk van alle dingen; wie ondersteunt dengeen die hem behaagt, maar wordt zelf door niemand ondersteund? Spreekt indien gij het weet?
آية رقم 89
ﰁﰂﰃﰄﰅﰆ
ﰇ
Zij zullen antwoorden: God. Zeg: Waarom laat gij u dan misleiden.
آية رقم 90
ﭑﭒﭓﭔﭕ
ﭖ
Ja, wij hebben hen tot de waarheid gebracht, en zij zijn zekerlijk leugenaars indien zij het loochenen.
آية رقم 91
God heeft geen kroost gebaard, noch is er eenig God naast hem. Indien dit niet zoo ware, zou iedere God zekerlijk hebben weggenomen wat hij had geschapen, en zouden sommigen hunner zich zekerlijk boven de anderen hebben verheven. Verre zij datgene van God wat zij nopens hem verklaren!
آية رقم 92
ﭲﭳﭴﭵﭶﭷ
ﭸ
Hij kent wat verborgen en wat openbaar gemaakt is; het zij dus verre van hem, de deelgenooten in zijne eer te hebben welke zij hem toeschrijven!
آية رقم 93
ﭹﭺﭻﭼﭽﭾ
ﭿ
Zeg: O Heer! Zoudt gij mij zekerlijk de wraak willen doen zien waarmede zij zijn bedreigd.
آية رقم 94
ﮀﮁﮂﮃﮄﮅ
ﮆ
O Heer! plaats mij niet onder de goddeloozen.
آية رقم 95
Want wij zijn zekerlijk in staat, u datgene te doen zien waarmede zij bedreigd werden.
آية رقم 96
Wendt het kwade door het betere af: wij kennen de lasteringen wel, die zij tegen u uitspreken.
آية رقم 97
En zeg: O Heer! ik vlucht tot u als eene schuilplaats tegen de ingevingen der duivelen.
آية رقم 98
ﮢﮣﮤﮥﮦ
ﮧ
En ik neem mijne toevlucht tot u, o Heer! om hen te verdrijven; opdat zij niet tegenwoordig met mij zouden zijn.
آية رقم 99
Het loochenen der ongeloovigen houdt niet op, dan tot den dood een van hen overvalt, die dan zegt: O Heer! doe mij tot het leven terugkeeren.
آية رقم 100
Opdat ik doen moge wat rechtvaardig is, door het ware geloof te belijden dat ik verwaarloosd heb. In geenen deele. Waarlijk, dit zijn de woorden welke gij zult spreken; maar achter hen zal een hek zijn tot op den dag der opstanding.
آية رقم 101
Als dus de trompet zal klinken, dan zal er geen verwantschap meer tusschen hen bestaan. Dan zullen zij elkander niet om hulp vragen.
آية رقم 102
ﯱﯲﯳﯴﯵﯶ
ﯷ
Zij wier weegschaal door goede werken zwaar is, zullen gelukkig wezen.
آية رقم 103
Maar zij wier weegschalen licht zullen wezen, zijn degenen die hunne zielen verliezen en eeuwig in de hel zullen verblijven.
آية رقم 104
ﰃﰄﰅﰆﰇﰈ
ﰉ
Het vuur zal hunne aangezichten verteren en zij zullen hunne monden uit angst samentrekken.
آية رقم 105
En er zal tot hen gezegd worden: Werden mijne teekenen u niet herinnerd en hebt gij die niet van valschheid beschuldigd?
آية رقم 106
Zij zullen antwoorden: O Heer! ons ongeluk beheerschte ons en wij wendden ons af.
آية رقم 107
O Heer! neem ons weg uit dit vuur; indien we tot onze vroegere zonden terugkeeren, zijn wij zekerlijk onrechtvaardig.
آية رقم 108
ﭫﭬﭭﭮﭯ
ﭰ
God zal hun zeggen: Gij blijft er in, en richt het woord niet tot mij.
آية رقم 109
Toen een gedeelte van mijn dienaren uitriep: O Heer! wij gelooven: vergeef ons dus en wees ons genadig; want waarlijk gij zijt de genadigste.
آية رقم 110
Hebt gij hen met spotternijen ontvangen, zoodat deze u mijne vermaning deden vergeten, en gij hebt hun tot voorwerpen uwer spotternijen gemaakt.
آية رقم 111
Ik heb hen heden beloond, omdat zij de beleedigingen, welke gij hun hebt aangedaan, met geduld hebben gedragen: waarlijk, zij genieten een groot geluk.
آية رقم 112
God zal zeggen: Hoeveel jaren hebt gij op aarde doorgebracht?
آية رقم 113
Zij zullen antwoorden: Wij hebben daar een dag of een gedeelte van een dag doorgebracht, maar vraag hun die rekening te houden.
آية رقم 114
God zal zeggen: Gij zijt daar slechts korten tijd gebleven, maar gij weet het niet.
آية رقم 115
Denkt gij dat wij u slechts uit ijdelheid hebben geschapen en dat gij later niet voor ons gebracht zult worden?
آية رقم 116
Verheven zij dus God de Koning, de Waarheid! Er is geen God buiten hem, de Heer van den glansrijken troon.
آية رقم 117
Wie naast den waren God een anderen God zal aanroepen, omtrent welken hij geen duidelijk bewijs heeft, zal zekerlijk voor zijn Heer daarvan rekenschap moeten afleggen. Waarlijk, de ongeloovigen zullen geen voorspoed genieten.
آية رقم 118
Zeg: O Heer! vergiffenis, en schenk mij genade; want uwe genade is onbeperkt.
تقدم القراءة